Spring naar inhoud

LANDELIJK AANVALSPLAN INVASIEVE EXOTEN


Inhoudsopgave
1 Inleiding 7
2 Context 9
2.1 Aanleiding en doel 9
2.2 Noodzaak en urgentie van exotenbeleid 9 2.3 Andere maatschappelijke doelen 12
2.4 Internationale verdragen en doelstellingen 12
2.2.1 Internationale verdragen en doelstellingen ten aanzien van biodiversiteit en natuur en
plantgezondheid 13
2.2.2 Internationale verdragen en doelstellingen ten aanzien van zoetwater en mariene ecosystemen 13
2.5 Financieringsopgave 14
2.6 Uitgangspunten 15
3 Het exotenbeleid op hoofdlijnen 19
3.1 De invasiecurve 19
3.2 Betrokken overheidsniveaus 21
4 Preventie: zorg dat invasieve soorten niet het land (of bijbehorende wateren en lucht)
binnenkomen 25
4.1 Kennis 26 4.2 Verbieden 27
4.3 Signalering en monitoring 30 4.4 Communicatie en voorlichting 33
4.5 Samenwerking met medeoverheden en stakeholders 35
4.6 Actieplannen voor introductieroutes (pathway action plans) 37
4.7 Financieringsopgave voor preventie (mensen en middelen) 38
5 Vroege signalering en snelle eliminatie: als invasieve soorten toch binnenkomen,
dan zo snel mogelijk elimineren en vestiging voorkómen 41
5.1 Werkzaamheden 42
5.2 Taakverdeling provincies, waterschappen en LVVN 43
5.3 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van vroege signalering en snelle eliminatie 43 5.4 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van vroege signalering en snelle eliminatie 46 5.5 Kosten van huidige inzet van mensen en middelen voor vroege signalering en snelle eliminatie 47
5.6 Financieringsopgave voor vroege signalering en snelle eliminatie (mensen en middelen) 47
6 Beheersing: als een invasieve soort zich toch vestigt, dan proberen de verdere verspreiding en de schadelijke effecten tegen te gaan 49
6.1 Werkzaamheden 50
6.2 Taakverdeling provincies, waterschappen en LVVN 51 6.3 Beheersmaatregelen tegen uitheemse rivierkreeften 51
6.4 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van beheersing 53
6.5 Aanvullende maatregel ter ontwikkeling en versteviging van beheersing. 54
6.6 Gevestigde en wijdverspreide Unielijstsoorten waartegen beheersmaatregelen getroffen worden
(artikel 19) onder voorbehoud van financiering 54
3 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

7 Herstel: herstel van de schade aan ecosystemen 57
7.1 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van herstel 58
7.2 Financieringsopgave voor herstel 59
8 Acceptatie: als voorgaande stappen niet mogelijk zijn of niet lukken dan resteert
accepteren en ermee leren omgaan 61
8.1 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van acceptatie 61
9 Exoten in marien gebied en grote wateren 65
9.1 Introductie- en verspreidingsroutes van mariene exoten 65 9.2 De kaders: richtlijnen, verdragen en wetgeving 65 9.3 Taakverdeling binnen het Rijk, provincies en RWS 67
9.4 De Waddenzee 67
9.5 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van mariene exoten 68 9.6 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van de aanpak mariene exoten 69
9.7 Financieringsopgave van de aanpak mariene exoten 70
10 Evaluatie 71
Bijlagen 73
Bijlage 1 Internationale en Europese verdragen en richtlijnen met betrekking tot
invasieve exoten 74
Bijlage 2 Beschrijving surveillancesysteem invasieve exoten Nederland 76
Bijlage 3 Informatie partijen rond invasieve exoten 78
Bijlage 4 Initiatieven van brancheorganisaties en andere organisaties uit het maatschappelijk
middenveld (niet uitputtend) 79
Bijlage 5 Opsomming van huidige overlegstructuren en samenwerkingsvormen 80
Bijlage 6 Overzicht van Unielijstsoorten in een vroeg stadium van introductie waarvoor
eliminatieplicht geldt (artikel 17) 81
Bijlage 7 Overzicht van gevestigde en wijdverspreide Unielijstsoorten waartegen
beheersmaatregelen getroffen worden (artikel 19) onder voorbehoud van financiering 87
Bijlage 8 Nieuwe soorten van de Unielijst per 7 augustus 2025 93
Bijlage 9 Generieke landelijke afspraken 94 Bijlage 10 Verantwoording van het doorlopen proces 96
5 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

1 Inleiding
De biodiversiteit in ons land staat vanuit verschillende kanten onder druk. Een belangrijke factor hierin zijn de invasieve exoten: planten of dieren die niet in Nederland thuishoren, die door menselijk handelen hier terecht zijn gekomen en schadelijk zijn voor inheemse soorten. Volgens een rapport van VN-panel IPBES vormen invasieve exoten mondiaal zelfs één van de voornaamste oorzaken van biodiversiteitsverlies.
Invasieve exoten kunnen zich vestigen in onze natuur, zich vermeerderen, gaan domineren en zo ervoor zorgen dat inheemse planten en dieren gedeeltelijk of zelfs geheel verdwijnen. Ze veroorzaken hierdoor ingrijpende en soms onomkeerbare veranderingen in de biodiversiteit en ecosystemen. Dit leidt tot negatieve en complexe gevolgen in alle delen van de aarde, inclusief het uitsterven van soorten. Wereldwijd is 60% van het uitsterven van soorten mede toe te schrijven aan invasieve exoten en 16% van het uitsterven is zelfs exclusief (volledig) aan invasieve exoten toe te schrijven. De internationale kosten voor bestrijding, preventie én door invasieve exoten veroorzaakte maatschappelijke en economische schade, worden in het IPBES-rapport geschat op jaarlijks meer dan 423 miljard US dollar wereldwijd.
We zien dat exoten op verschillende manieren in ons land terecht kunnen komen. Bijvoorbeeld door de wereldwijde handel in (uitheemse) planten en dieren of het meeliften in verpakkingshout, containers, boten of vrachtwagens die goederen vervoeren. Ook nemen vakantiegangers exotische planten, vruchten of dieren mee naar huis. In het verleden zijn uitheemse soorten vaak bewust hierheen gehaald. Denk hierbij bijvoorbeeld aan huisdieren en sierplanten. In Europa zijn naar schatting ongeveer 12.000 uitheemse soorten aanwezig, waarvan 10% tot 15% als invasief wordt beschouwd (= circa 1500 invasieve soorten).
Nederland is gevoelig voor de komst van (nieuwe) uitheemse soorten. We liggen aan de delta van grote rivieren, met open watersystemen. Als dichtbevolkt handelsland met wereldhavens en een grote tuinbouwsector vinden er veel transportbewegingen plaats over land, water en door de lucht, met in- en doorvoer vanuit de hele wereld. Door klimaatverandering wordt het bovendien voor meer soorten mogelijk zich in ons land te vestigen en verspreiden, waarbij juist ook door die klimaatverandering en andere drukfactoren kwetsbare ecosystemen extra onder druk staan.
Het is van groot belang om de negatieve invloed van invasieve exoten op onze ecosystemen zoveel mogelijk te beperken. Dit aanvalsplan beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Invasieve exoten kunnen ook impact hebben op andere maatschappelijke terreinen. Dit aanvalsplan signaleert die problematiek, maar de aanpak daarvan valt buiten de reikwijdte van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
Het aanvalsplan bouwt voort op de Contouren van een landelijk aanvalsplan invasieve exoten en bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De nadruk van dit aanvalsplan ligt bij preventie: het treffen van voorzorgsmaatregelen zodat invasieve exoten Nederland niet binnenkomen, zich niet kunnen vestigen en zich niet verder verspreiden. Niet alleen omdat preventie de meest kosteneffectieve manier is om schade door invasieve exoten te voorkomen; het is soms zelfs de énige optie omdat voor sommige soorten of milieus (nog) geen effectieve of efficiënte bestrijdingsmaatregelen bestaan.

2 Context
2.1 Aanleiding en doel
De gevolgen van invasieve exoten op de biodiversiteit, ecosysteemdiensten en andere terreinen worden steeds zichtbaarder en voeden het besef van urgentie om (vroeg) in te grijpen. Vanuit dit besef is op verzoek van de Staatssecretaris van LVVN dit landelijk aanvalsplan opgesteld.
Dat de urgentie door de Tweede Kamer wordt gevoeld, blijkt uit de motie Van der Plas van BBB en de motie Van Campen, Valstar en Grinwis van VVD en CU (Kamerstukken 36 410 XIV nr. 11 en nr. 12). Kort samengevat komen de moties erop neer dat de Kamer, naar aanleiding van landbouwschade door nijlganzen, verzoekt om een landelijke aanpak van invasieve exoten. De andere motie verzoekt de regering, naar aanleiding van het IPBES-rapport en de problematiek van uitheemse rivierkreeften, een offensief invasieve exoten op te stellen.
Doel van het exotenbeleid is de nadelige gevolgen voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Deze doelstelling vloeit voort uit het wereldwijde Biodiversiteitsverdrag en de Europese Exotenverordening (verder ‘Exotenverordening’) en is leidend voor het ministerie van LVVN. Ook de provincies hanteren dit uitgangspunt in hun exotenbeleid en de uitvoering. Deze algemene doelstelling is gehanteerd en doorvertaald naar dit landelijk aanvalsplan invasieve exoten. Dit aanvalsplan schetst hoe dit beleid in Nederland wordt vormgegeven en versterkt kan worden.

De Europese Exotenverordening

Sinds 1 januari 2015 is in de Europese Unie EU-verordening 1143/2014 van kracht. Deze verordening heeft als doel de nadelige gevolgen voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. In de verordening zijn regels vastgesteld om de introductie, verspreiding en impact van invasieve exoten in Europa te beperken. Centraal in de verordening staat een lijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Unie gewenst is.

2.2 Noodzaak en urgentie van exotenbeleid
De impact van invasieve uitheemse soorten op de biodiversiteit in Nederland is groot. Invasieve uitheemse soorten zijn een drukfactor voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten. Het aantal introducties van invasieve exoten, de verspreiding en de schade nemen nog altijd toe. In het milieu van de Europese Unie en andere Europese landen bevinden zich ongeveer 12.000 uitheemse soorten, waarvan ruwweg 10% tot 15% als invasief wordt beschouwd.

Definitie van invasieve uitheemse soort(en) (IUS) volgens de Europese Exotenverordening:
Uitheemse planten of dieren waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan buiten
hun natuurlijke verspreidingsgebied een bedreiging is of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten.

Definitie van invasieve exoten zoals gehanteerd in dit document:
Invasieve soorten die door menselijk handelen buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied terecht
zijn gekomen en die schadelijk zijn voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten of andere maatschappelijke doelen (waarden en belangen), zoals volksgezondheid, veiligheid en economie.
De Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (verder ‘Unielijst’) is op 7 augustus 2025 uitgebreid met 26 nieuwe plant- en diersoorten, waarmee op de Unielijst inmiddels 114 soorten staan.
Niet al deze 114 soorten van de Unielijst kunnen zich in Nederland vestigen. Van de soorten die zich wel in Nederland kunnen vestigen komt een aantal al in ons land voor, soms wijdverspreid en soms nog in een vroege fase van introductie.
Ook in Nederland kan worden geconstateerd dat de dreiging van invasieve exoten toeneemt. Bronnen die dit laten zien zijn het Compendium voor de Leefomgeving en verschillende rapporten van het bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waaronder de recent uitgebrachte Horizonscan. Deze horizonscan signaleert een toename van potentiële invasieve exoten in Nederland. En de verspreiding van reeds in Nederland aanwezige invasieve exoten is de afgelopen jaren toegenomen – een aantal succesvolle bestrijdingsacties om soorten lokaal uit het milieu te verwijderen daargelaten. 
Het in september 2023 gepubliceerde en toonaangevende mondiale rapport van het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) bevat onder meer de volgende, voor Nederland relevante, kernbevindingen:
• Invasieve exoten veroorzaken ingrijpende en in sommige gevallen, onomkeerbare veranderingen in de biodiversiteit en ecosystemen, resulterend in negatieve en complexe gevolgen in alle delen van de aarde, inclusief het lokaal en mondiaal uitsterven van soorten. Wereldwijd is 60% van het uitsterven van soorten mede toe te schrijven aan invasieve exoten. En in 16% van de gevallen waren invasieve exoten zelfs de directe oorzaak van uitsterven van andere soorten.
• De economie, voedselzekerheid, waterzekerheid en humane gezondheid worden diepgaand en negatief beïnvloed door invasieve exoten.
• De bedreigingen van invasieve exoten nemen in alle delen van de aarde aanzienlijk toe, waarbij het huidige, ongeëvenaarde hoge aantal introducties naar verwachting in de toekomst nog verder zal stijgen.
• De voortdurende toename van de drukfactoren op de natuur, waaronder klimaatverandering, veranderd land- en zeegebruik, overexploitatie van grondstoffen en vervuiling, kan het aantal invasieve exoten en hun impact in de toekomst nog substantieel vergroten.
• De omvang van de toekomstige dreiging van invasieve exoten is moeilijk te voorspellen vanwege de complexe wisselwerking tussen directe en indirecte drukfactoren op de natuur.
• Preventie en voorzorgsmaatregelen zijn de meest kosteneffectieve opties en dus van cruciaal belang voor het beheersen van de bedreigingen van invasieve exoten. En dit geldt in het bijzonder voor mariene systemen en open verbonden wateren waar de meeste pogingen tot uitroeiing of beheersing van invasieve exoten grotendeels zijn mislukt.
Uit het IPBES-rapport blijkt dat internationale kosten van invasieve exoten, voor zowel bestrijding en preventie als ook de aangerichte maatschappelijke en economische schade, jaarlijks neerkomen op meer dan 423 miljard US dollar wereldwijd. In andere studies worden de totale kosten van invasieve exoten in Europa (schade en beheersing) tussen 1960 en 2020 geschat op 116,61 miljard EUR. Recentere studies hebben deze kosten geraamd op 28 miljard US dollar per jaar in de EU, met een verwachte toename tot 148,2 miljard US dollar in 2040.
In Nederland zien we naast natuurschade door invasieve exoten op de hier toch al kwetsbare natuur, ook op allerlei andere terreinen negatieve impact van invasieve exoten. Een voorbeeld is de schadelijkheid van uitheemse rivierkreeften en woekerende waterplanten voor waterkwaliteit en water aan- en afvoer. We ontdekken nieuwe invasieve exoten, zoals termieten, die vooralsnog geen natuurschade lijken te veroorzaken, maar die wel schade aan houten constructies kunnen toebrengen. Bij vestiging en verdere verspreiding van zulke soorten zullen maatschappelijke kosten in de toekomst, naast de te verwachten schade ook bestaan uit de kosten van bestrijding en herstel en kosten voor preventieve maatregelen. Een ander voorbeeld zijn de wasberen die in Nederland nu nog in beperkte aantallen te vinden zijn, maar in Duitsland rond Berlijn reeds in zeer grote aantallen voorkomen. Naast natuurschade door predatie op kleine dieren kunnen wasberen allerlei overlast veroorzaken zoals het binnendringen van schuren en woningen en het openbreken van vuilnisbakken op zoek naar voedsel.
2.3 Andere maatschappelijke doelen
De doelstelling van de Exotenverordening richt zich op (bescherming en instandhouding van de) biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten.
Invasieve exoten kunnen ook schadelijk zijn voor andere maatschappelijke doelen (waarden en belangen), zoals volksgezondheid, veiligheid en economie. Een aantal van deze doelen is breder dan het natuurbeleid en de overige beleidsverantwoordelijkheden van LVVN. LVVN is niet verantwoordelijk voor alle diensten als zodanig die ecosystemen leveren, of voor de achterliggende doelen. Voor zover (ook) maatschappelijke doelen door invasieve exoten in het geding komen, die niet behoren tot het beleidsdomein natuur, landbouw, visserij en voedselzekerheid, zoals waterveiligheid, waterkwaliteit en bouwveiligheid, ligt de beleidsopgave bij die departementen en overheden. In dit aanvalsplan zal deze problematiek van invasieve exoten die schadelijk zijn voor andere maatschappelijke doelen beperkt aan de orde komen. De interdepartementale coördinatie hieromtrent wordt hieronder kort geduid.
Interdepartementale coördinatiestructuur Plaagsoortbeheersing

In een interdepartementale coördinatiestructuur weegt het ministerie van LVVN met de ministeries van IenW, VRO en VWS18 per plaagsoort af (waarover een onderbouwd risicosignaal of –advies beschikbaar is) of er een (tijdelijke) nationale rol is voor twee of meer departementen. En -zo ja- wie daar dan bij moet worden betrokken. Waar nodig wordt vanuit de coördinatiestructuur afstemming gezocht met medeoverheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. De afbakening van deze coördinatie is breed: uitheemse en inheemse soorten, dier en plant, nieuw en gevestigd. Alleen de aanpak van zaken die al in andere gremia interdepartementaal worden afgestemd, zoals vectoren, bacteriën en virussen, komen niet aan de orde in deze coördinatiestructuur
Plaagsoortbeheersing. De genoemde ministeries verkennen de nationale rol al werkende weg met behulp van de stappen van de invasiecurve uit de invasiebiologie, integraal plaagmanagement uit de wereld van milieubescherming en voorschriften voor veiligheid en gezondheid voor de bouwsector en leefomgeving.

2.4 Internationale verdragen en doelstellingen
Een landelijk aanvalsplan is niet alleen nodig in het belang van Nederland zelf, maar ook omdat het aansluit bij internationale afspraken en verdragen waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd. Deze verdragen bevatten specifieke doelstellingen met betrekking tot invasieve exoten. De verspreiding van invasieve exoten vindt over landsgrenzen plaats, waardoor samenwerking op internationaal niveau noodzakelijk is. Een aantal internationale en Europese verdragen vormt de belangrijkste juridische kaders voor het beleid rond invasieve exoten.
Voor de kwetsbare eiland- en mariene ecosystemen in Caribisch Nederland wordt de bestrijding van invasieve soorten als een prioriteit beschouwd in het Natuur- en Milieubeleidsplan (2020), omdat zij een van de belangrijkste drukfactoren vormen voor het behoud van unieke habitats en soorten. Hoewel Caribisch Nederland niet onder EU-richtlijnen valt, zijn veel internationale verdragen hier wel van toepassing. Het landelijk aanvalsplan zal de exotenaanpak in Caribisch Nederland verder niet behandelen.
Naast de hieronder genoemde verdragen en richtlijnen bestaan er nog diverse andere verdragen en richtlijnen die samen een breed juridisch kader vormen voor het voorkomen en bestrijden van invasieve exoten. Een volledig overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 1.
2.4.1 Internationale verdragen en doelstellingen ten aanzien van biodiversiteit en natuur en plantgezondheid
In het kader van bescherming en herstel van natuur verplicht het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD) verdragslanden in artikel 8(h) om invasieve soorten te voorkomen, beheersen of uit te roeien. Al sinds 1998 definieert de CBD invasieve exoten als een drukfactor op biodiversiteit en stelt het internationale handleidingen op en deelt het geleerde lessen over hoe deze drukfactor te voorkomen of verminderen. In het bijbehorende Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework zijn bovendien concrete reductiedoelen vastgelegd, zoals het terugdringen van nieuwe introducties met 50% in 2030 (doel 6).
De Bern-conventie (1979), waarbij Nederland is aangesloten via de Raad van Europa, bevat bindende bepalingen over de regulering van de introductie van uitheemse soorten en erkent invasieve exoten als een van de vijf belangrijkste drukfactoren op biodiversiteit. In het Strategisch Plan van de Bern-conventie tot 2030 is de bestrijding van invasieve exoten opgenomen als een van de prioriteiten.
Binnen de Europese Unie is de Exotenverordening (1143/2014) het centrale juridische kader. Deze verordening stelt bindende regels vast voor de preventie, het beheer en de uitroeiing van soorten die op de gezamenlijke Unielijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten staan. De Exotenverordening verwijst ook naar de doelstellingen van andere belangrijke Europese richtlijnen met betrekking tot natuur- en milieu; Kaderrichtlijn Water (2000/60), Kaderrichtlijn Mariene Strategie (2008/56), Vogelrichtlijn (2009/147) en Habitatrichtlijn (92/43).
Daarnaast bevat de Europese biodiversiteitsstrategie 2030 (EBS) beleidsmatige doelstellingen, waaronder het halveren van het aantal Rode Lijst-soorten dat door invasieve exoten wordt bedreigd. De uitvoering hiervan is onderwerp van Europese onderhandeling en wordt nader uitgewerkt via nationale herstelplannen en EU-verordeningen.
2.4.2 Internationale verdragen en doelstellingen ten aanzien van zoetwater en mariene ecosystemen
Voor zoetwatersystemen die door meerdere landen worden gedeeld, is het Verdrag inzake het recht van het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor de scheepvaart (VN, 1997) relevant. Artikel 22 verplicht staten om introductie van uitheemse soorten te voorkomen indien deze aanzienlijke schade aan het ecosysteem kunnen veroorzaken.
Voor mariene ecosystemen is het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS, 1982) een van de belangrijkste juridische kaders. Artikel 196 verplicht lidstaten om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om vervuiling van het mariene milieu te voorkomen of te beperken, waaronder de introductie van exoten die schadelijke veranderingen kunnen veroorzaken.
Daarnaast zijn er meer specifieke instrumenten voor de praktische beheersing van mariene exoten. Het International Maritime Organization (IMO)-Ballastwaterverdrag (2004, in werking 2017) stelt eisen aan de behandeling van ballastwater van schepen om verspreiding van aquatische exoten te beperken, bijvoorbeeld via filters of ontsmettingssystemen.
Ook de aangroei op scheepsrompen (hull fouling) wordt binnen de IMO als risico erkend. Hoewel er op dit moment geen bindende IMO-verordening is, bestaan er internationale richtlijnen (Guidelines for the control and management of ships’ biofouling, 2011) die door lidstaten vrijwillig kunnen worden geïmplementeerd.
Op EU-niveau eist de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) (2008/56/EG) dat lidstaten hun mariene ecosysteem in een Goede Milieutoestand (GMT) krijgen en/of deze GMT behouden. De KRM omvat
11 descriptoren. Een van deze descriptoren (D2) richt zich specifiek op exoten. De GMT voor exoten luidt: “Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert”. Het primaire (verplichte) criterium hierbij luidt: "Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van menselijke activiteiten is tot een minimum beperkt”.

2.5 Financieringsopgave
Dit landelijk aanvalsplan brengt de kosten van de maatregelen die LVVN samen met de provincies treft voor het exotenbeleid in beeld (mensen en middelen) voor de komende vier jaar. Dit is een eerste stap om opvolging te geven aan de aanbevelingen uit de evaluatie van de Exotenverordening. In die evaluatie wordt geconcludeerd dat het toekennen van een structureel en geoormerkt budget voor preventie en voor de bestrijding en beheersing van invasieve exoten een van de belangrijkste opgaven is.
Relevante aanbevelingen uit evaluatie:

Aanbeveling 11) Onderzoek benodigd aantal FTE in relatie totale omvang van opgave: onderzoek de inhoud en reikwijdte van de totale opgave per provincie en vertaal dit naar het aantal FTE dat
nodig is om deze opgave aan te pakken.
Aanbeveling 12) Meer FTE beschikbaar voor preventie: als het ministerie van LNV kiest voor een
grotere inzet op preventieve maatregelen dan ligt het voor de hand te overwegen hiervoor meer FTE beschikbaar te stellen om preventietaken op te pakken.

Aanbeveling 13) Inzicht in kostenontwikkeling: provincies moeten inzichtelijk maken wat, sinds 2018, hun kostenontwikkeling voor de aanpak van invasieve exoten is geweest (conform eerdere afspraak).

Aanbeveling 14) Totale opgave en geoormerkt, structureel budget: laat provincies de inhoud en reikwijdte van de totale opgave voor Artikel 17 en 19 soorten per provincie onderzoeken en vertalen naar een geoormerkt, structureel budget voor de aanpak van invasieve exoten.
Voor de komende vier jaar wordt in dit aanvalsplan een bedrag van 8 miljoen euro (indicatie) begroot voor de inzet van LVVN op preventie en overige landelijke taken. Daarnaast hebben de provincies hebben eind 2024 aan LVVN een provinciaal ambitiedocument invasieve uitheemse soorten aangeboden, waarin de opgave van de provincies is beschreven voor een periode van vier jaar.
Bij de Voorjaarsbesluitvorming van 2025 is een totaalbedrag van 9,2 miljoen euro beschikbaar gesteld op de LVVN-begroting voor 2025 en 2026. Met dit budget wordt vooralsnog de nadruk gelegd op preventie en het volledig verwijderen uit het milieu van invasieve exoten met een eliminatiedoelstelling. Met de beschikbare middelen kan een eerste start worden gemaakt met de voorgestelde aanvullende maatregelen, waarna in latere jaren verdere opschaling kan plaatsvinden. Van het totale beschikbare bedrag voor 2025 en 2026 zal 1,6 miljoen euro ingezet worden voor de maatregelen die LVVN op zich neemt en circa 7,3 miljoen euro wordt ter beschikking gesteld aan de provincies voor het volledig verwijderen uit het milieu van invasieve exoten met een eliminatiedoelstelling. De mogelijkheden voor aanvullende financiering voor dit landelijk aanvalsplan moeten politiek verder worden onderzocht.
Disclaimer:
Dit aanvalsplan is opgesteld op basis van 88 soorten van de Unielijst en een aantal ‘nationale’ invasieve exoten die in het kader van natuurdoelstellingen op dit moment al aandacht vragen van provincies en terreinbeheerders in Nederland. De meest recente uitbreiding van de Europese Unielijst, waarbij 26 nieuwe soorten aan de Unielijst zijn toegevoegd, wordt in dit aanvalsplan nog niet als zodanig meegenomen (zie overzicht in bijlage 8). Voor de 26 nieuwe soorten van de Unielijst wordt een separaat traject gestart waarin met de provincies afspraken worden gemaakt over ambitieniveau en financiering van maatregelen. De kostenindicatie van dit landelijk aanvalsplan bevat dus nog niet alle (nog in te schatten) kosten die volgen uit de meest recente uitbreiding van de Europese Unielijst met 26 nieuwe soorten.

2.6 Uitgangspunten
In de eerder verschenen contouren van dit aanvalsplan staan de zes uitgangspunten beschreven die leidend zijn bij de verdere uitwerking van dit landelijk aanvalsplan. De contouren vormen het afwegingskader voor de beleidskeuzes die zijn gemaakt. A. Inzet op preventie en vroege eliminatie
B. Handelingsperspectief
C. Proportionaliteit (kosten- en batenafweging)
D. Ecosysteemherstel en -versterking
E. Samenwerking
F. Eigenaarschap
A. Inzet op preventie en vroege eliminatie
Onder preventie verstaan we het treffen van voorzorgsmaatregelen zodat invasieve exoten Nederland (via land, water of lucht) niet binnenkomen, zich niet kunnen vestigen en zich niet verder verspreiden binnen Nederland of naar buurlanden. Preventie kan op allerlei manieren vorm krijgen, variërend van voorlichting, educatie en communicatie, samenwerking met brancheorganisaties, monitoring en vroege signalering, protocollen voor hygiënisch werken in het veld, het opstellen van risicoanalyses (van invasieve soorten en hun introductieroutes) tot het instellen van (handels)verboden voor specifieke invasieve soorten.
Preventie en vroege eliminatie zijn cruciaal bij de aanpak van invasieve exoten. Het zijn de meest kosteneffectieve opties en daardoor van groot belang voor het voorkomen en inperken van de bedreigingen van invasieve exoten. Het kan schade aan biodiversiteit, ecosysteemdiensten en andere zaken voorkomen. Preventie en vroege eliminatie voorkomen dierenleed. Door in een vroeg stadium van verspreiding een dan nog klein aantal dieren volledig uit het milieu te verwijderen, wordt voorkomen dat op een later moment grote aantallen dieren moeten worden bestreden. Soms is preventie zelfs de enige mogelijkheid omdat voor sommige soorten of milieus geen effectieve of efficiënte bestrijdingsmaatregelen bestaan.
B. Handelingsperspectief
Er moet handelingsperspectief zijn om een invasieve soort aan te kunnen pakken. Met handelingsperspectief wordt bedoeld dat er mogelijkheden beschikbaar zijn om in een bepaalde situatie te handelen. Specifiek voor de aanpak van invasieve exoten gaat het er om of er maatregelen bestaan die effectief, technisch uitvoerbaar en betaalbaar zijn en die geen onacceptabele nevenschade veroorzaken.
Het aanpakken van invasieve exoten is vaak arbeidsintensief en tijdrovend. Zowel in de voorbereiding en uitvoering van beheersmaatregelen als in de beleidvorming is maatwerk nodig. Het gaat immers om uiteenlopende soorten in uiteenlopende milieus en omstandigheden. En daarbij betreft het vooral soorten die nieuw in Nederland zijn en waarvoor methoden van bestrijding nog ontwikkeld moeten worden. Ook de expertise en capaciteit om te bestrijden is vaak nog niet voorhanden en moet eerst nog ontwikkeld worden. Voor bestrijding van invasieve exoten is specifieke soortkennis nodig en expertise van geschikte bestrijdingsmethoden. Vaak is ook allerlei regelgeving en certificering van toepassing op bestrijdingsmethoden, waar door bestrijding niet altijd onmiddellijk kan plaatsvinden.
Voor sommige invasieve soorten is er eigenlijk geen handelingsperspectief na introductie of vestiging van de soort in het milieu: er bestaan geen of nauwelijks (effectieve) maatregelen en bestrijding of eliminatie is niet of nauwelijks mogelijk.
C. Proportionaliteit (kosten en baten afweging)
Het is van belang dat de baten van de aanpak in verhouding staan tot de kosten. Preventie is verreweg de meest effectieve en efficiënte strategie. Maar voor de soorten die zich desondanks vestigen, zijn de verwachtingen in de maatschappij de afgelopen jaren gegroeid. Denk hierbij aan soorten zoals Aziatische duizendknopen, reuzenberenklauw of uitheemse rivierkreeften die wijdverspreid zijn en niet of met veel moeite (en nooit geheel tot aan uitroeiing) te bestrijden zijn.
De Exotenverordening laat veel ruimte bij de lidstaten om zelf te beoordelen hoe zij invulling geven aan preventie en welke inzet zij plegen met betrekking tot de reeds gevestigde soorten van de Unielijst (artikel 19). Lidstaten beslissen over hun inzet op basis van kosten-batenanalyses (proportionaliteit) en mogen daarbij prioriteren. Dat wil zeggen dat keuzes worden gemaakt op basis van onderbouwde analyses waarbij de (verwachte) schade van de invasieve exoot wordt afgewogen tegen de kosten en effecten van bestrijding (van zowel de positieve effecten van die bestrijding als ook de neveneffecten daarvan).
Het is niet proportioneel om alle (gevestigde) invasieve exoten volledig uit het milieu te willen verwijderen. Voor iedere individuele soort is sprake van maatwerk en wordt beoordeeld welke maatregelen haalbaar en proportioneel zijn.
D. Ecosysteemherstel en versterking
Er zijn gevallen waarin een invasieve exoot niet geheel te verwijderen is uit het milieu en uitroeien niet meer mogelijk of niet haalbaar (proportioneel) is. Op dat moment resteert acceptatie van de aanwezigheid van de invasieve exoot en is het van belang om het ecosysteem te herstellen en te versterken. Dit betekent adaptief beheer dat vorm kan krijgen door leefgebieden op een dusdanige wijze aan te passen of (her) in te richten dat de invasieve exoot onderdrukt wordt door inheemse soorten en op deze wijze een beperkte invloed heeft op het inheemse ecosysteem.
In de praktijk betekent dit een gebiedsgerichte aanpak van met name de meer wijdverspreide soorten. Daarbij ligt het biodiversiteitsbelang vooral, maar niet uitsluitend in Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.
Een sterk en gezond ecosysteem is vaak ook weerbaarder tegen vestiging van eventuele nieuwe invasieve soorten en heeft minder kans om compleet uit evenwicht te raken. In de aanpak van invasieve exoten ligt de focus daarom niet alleen op de aanpak van de soort, maar wordt breder gekeken naar de weerbaarheid van ecosystemen waarin de soort zich kan vestigen of heeft gevestigd. Herstel en versterking van ecosystemen is via andere beleidslijnen en programma’s belegd dan het exotenbeleid en dient meer doelen dan de aanpak van invasieve exoten alleen.
E. Samenwerking
Samenwerking met betrokken medeoverheden en stakeholders is een vereiste om tot een effectieve aanpak van invasieve exoten te komen, want alle betrokkenen zullen hier vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid een bijdrage aan moeten leveren. LVVN staat aan de lat voor het op nationaal niveau tot stand brengen van afstemming tussen onder meer decentrale overheden met verschillende (met name) landelijke (terrein beherende) overheden. Goede afstemming en samenwerking met branche- en belangenorganisaties uit onder meer de sierteeltsector, dierenhandel, dierenopvang en dierenwelzijnsorganisaties is effectief, zeker waar het gaat om preventie.
Samenwerking kan gericht zijn op specifieke soorten of maatregelen, maar kan ook gebiedsgericht zijn waarbij wordt samengewerkt met de gebiedspartners. Invasieve exoten houden zich immers niet aan terreingrenzen en kunnen zich blijven verspreiden zolang deze niet uitgeroeid zijn. Gebiedsgericht samenwerken kan op allerlei niveaus plaatsvinden: lokaal, provinciaal, nationaal, internationaal of per stroomgebied van kleine of grotere wateren, rivieren en zeeën. Hierbij telt het subsidiariteitsbeginsel; lokaal waar het kan, nationaal of internationaal waar het moet. Zie in hoofdstuk 3 een overzicht van de verschillende overheidsniveaus.
F. Eigenaarschap
We zien steeds meer nieuwe invasieve exoten verschijnen die schadelijk kunnen zijn voor andere maatschappelijke belangen dan alleen de biodiversiteit en bescherming van ecosystemen. Invasieve exoten beperken zich niet tot biodiversiteit en ecosystemen (waarvoor provincies tezamen met LVVN verantwoordelijk zijn) of de situaties waar invasieve exoten raken aan de landbouw, visserij en voedselkwaliteit (waarvoor LVVN verantwoordelijk is). Meer overheden, ook andere ministeries, krijgen te maken met invasieve exoten die schade toebrengen aan de belangen waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Daarmee hebben deze overheden ook, vanuit de verantwoordelijkheid voor die belangen een rol in de aanpak van bepaalde (nieuwe) invasieve exoten. De eerdergenoemde interdepartementale coördinatiestructuur is voor deze gevallen ingericht.
Op dit moment valt niet precies te voorspellen welke invasieve exoten in de toekomst zullen opduiken in Nederland. Wel kunnen we proberen te anticiperen en ons voor te bereiden op wat komen gaat. Dit kan onder meer door het uitvoeren van verkenningen en zogenaamde horizonscans waarvan een signaalfunctie uit gaat, ook richting medeoverheden, marktpartijen, terreinbeheerders en andere betrokkenen. Het bewust zijn over de problematiek van invasieve exoten onder de betrokken partijen zal nog moeten groeien. En daarmee ook het gevoel van urgentie en erkenning van de betrokken partijen van de eigen verantwoordelijk heden hierin en het (veelal gedeeld) probleemeigenaarschap.

3 Het exotenbeleid op hoofdlijnen
3.1 De invasiecurve
Op dit moment is de Europese Exotenverordening leidend in de wijze waarop Nederland het exotenbeleid heeft georganiseerd. In de opvolgende hoofdstukken worden de taken en verantwoordelijkheden stapsgewijs en meer in detail toegelicht. Daarbij worden de verschillende stadiums van de invasiecurve langsgelopen die de basis vormen in de aanpak van invasieve exoten:
• Preventie: zorg dat invasieve soorten niet het land (of bijbehorende wateren en lucht) binnenkomen.
• Vroege signalering en snelle eliminatie: als invasieve soorten toch binnenkomen, dan zo snel mogelijk elimineren en vestiging voorkómen.
• Beheersing: als een invasieve soort zich toch vestigt, dan proberen de verdere verspreiding en de schadelijke effecten tegen te gaan.
• Herstel: herstel van de schade aan ecosystemen.
• Acceptatie: en als voorgaande stappen niet mogelijk zijn of niet lukken dan resteert accepteren en ermee leren omgaan.
Figuur van de invasiecurve

Toelichting figuur: De invasie curve toont de ontwikkeling van invasies en beschrijft de samenhang tussen de duur van een invasie (=X-as) de omvang van de verspreiding (=Y-as) de kosten van het beheer (=Y-as) en de mogelijkheden om in te grijpen in de invasie (de gekleurde blokken). Na introductie en vestiging van een invasieve exoot een nieuwe omgeving breidt de populatie zich uit en is er meer kans op ontdekking en wordt urgentie gezien. In een later stadium is uitroeiing moeilijker, kostbaarder of zelfs onmogelijk. Kosten van beheer stijgen naarmate soort wijder verspreid is en de schade neemt ook toe.
De figuur hieronder beschrijft op schematische wijze de verantwoordelijkheden en taken die voortvloeien uit de verplichtingen van de Exotenverordening en nationale wetgeving.
Stadia: PREVENTIE
van introductie in ons land (of bijbehorende wateren en lucht) Vroege signalering
en snelle ELIMINATIE om vestiging te voorkómen Isoleren en beschermen door het treffen van BEHEERSMAATREGELEN om verdere verspreiding en schade tegen te gaan HERSTEL van de schade aan ecosystemen
Verspreiding: Soort afwezig Gering aantal lokale populaties Snelle areaal uitbreiding en toename aantallen Invasieve soort
wijdverspreid en talrijk Na eliminatie of beheersing van invasieve soort
Maatregelen: Controle van introductiewegen Beheer gericht op eliminatie, waar mogelijk. Beheer gericht op beperken verspreiding (isoleren) Beheer gericht op beperken impact op biodiversiteit
(beschermen) Ecosysteem herstel en versterking
Wetgeving: EU-verordening IUS
Artikel 4 Unielijst van zorgwekkende IUS
Artikel 5 Risicobeoordeling
Artikel 7 Beperkingen
Lid 1: Opzettelijke handelingen -> Verboden: de Unie binnen brengen, houden, kweken, naar, uit of binnen de Unie vervoeren (behalve vervoer in het kader van uitroeiing naar voorzieningen) verhandelen, gebruiken of uitwisselen, laten voortplanten, kweken of telen of vrijlaten in het milieu.
Lid 2: Onopzettelijke handelingen -> via o.a. voorlichting en hygiëne protocollen Artikelen 8 en 9 Vergunningen en toelatingen
Artikel 10 Noodmaatregelen Artikel 12 Voor een lidstaat zorgwekkende IUS
Artikel 13 Actieplannen voor introductieroutes
Artikel 15 Officiële controles

Nationaal handelsverbod Aziatische
duizendknopen
(Bal, artikel 11.109a) EU-verordening IUS
Artikel 14 Surveillancesysteem
Artikel 16 Kennisgevingen vroegtijdige detectie
Artikel 17
Snelle uitroeiing in vroeg stadium van invasie
Zie bijlage VC van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Overdracht soorten aan provincies EU-verordening IUS
Artikel 19
Beheer van wijdverspreide invasieve uitheemse soorten
Zie bijlage VC van Besluit kwaliteit leefomgeving
(Bkl). Overdracht soorten aan provincies EU-verordening IUS
Artikel 20 Herstel van de beschadigde ecosystemen
ACCEPTATIE
Maatregelen
die in alle stadia aan de orde zijn: Kennisontwikkeling en kennisdeling

In de opvolgende hoofdstukken volgt na beschrijving van het huidige exotenbeleid steeds een korte analyse van verbeterpunten en worden de aanbevelingen uit de evaluatie vermeldt die op dat stadium van toepassing zijn. Vervolgens wordt voor ieder stadium beschreven welke aanvullende maatregelen genomen worden om het huidige exotenbeleid door te ontwikkelen en te verstevigen om tot effectieve preventie, bestrijding en beheer van invasieve exoten te komen in Nederland.
De aanpak van mariene exoten word in een apart hoofdstuk beschreven, omdat de Europese Exotenverordening momenteel beperkte werking heeft op mariene exoten (en mariene gebieden). Het zijn vooral andere internationale verdragen, richtlijnen en nationale wetgeving die leidend zijn voor mariene exoten. De onderliggende reden hiervoor is dat de problematiek, introductieroutes, aanpak en betrokken partijen sterk afwijken en een (nog) meer internationale dynamiek kennen dan die van invasieve exoten op land en zoetwater.

3.2 Betrokken overheidsniveaus
Nationaal LVVN
Onder de verantwoordelijkheid van LVVN met betrekking tot invasieve exoten vallen directe taken zoals de eerdergenoemde preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel etc. Daarnaast is LVVN verantwoordelijk voor een aantal (aquatische) soorten van de Unielijst waarvan de verantwoordelijkheid niet aan de provincies is overgedragen.
Provincies
Het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst en herstel maatregelen in natuurgebieden gedecentraliseerd naar de provincies.
Waterschappen
De waterschappen bestrijden op dit moment twee invasieve soorten van de Unielijst, namelijk de muskusrat en de beverrat, om schade aan waterstaatswerken te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid is in de Waterschapswet vastgelegd.30 De waterschappen hebben zelf een landelijke doelstelling geformuleerd (terugdringing tot de landgrens) en werken landelijk samen in de uitvoering van de bestrijding. Daarnaast hebben waterschappen taken op gebied van waterbeheer (doorstroming) en waterkwaliteit (KRW), waarvoor het nodig kan zijn invasieve soorten te verwijderen.
Nationaal IenW en Rijkswaterstaat
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water en de Kaderrichtlijn Marien valt onder de eindverantwoordelijkheid van IenW. IenW heeft voor de Natura 2000-gebieden in de grote wateren (zoals die in de zuidwestelijke delta, in het IJsselmeergebied en de Waddenzee) en in de Noordzee een taak om voor beschermde soorten en habitattypen beheerplannen vast te stellen en zorg te dragen voor het treffen van intandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen die nodig zijn voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor die gebieden en het voorkomen van verslechtering. Hieronder valt ook de aanpak van invasieve exoten waar deze de instandhoudingdoelstellingen in gevaar brengen. In de grote Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS) als voortouwnemer. RWS is beheerder van de Noordzee en van de grote Rijkswateren. In andere grote wateren, waar provincies de totstandkoming van het beheerplan coördineren(zoals Rijntakken), dient RWS medewerking te verlenen aan de noodzakelijke maatregelen.
Internationaal
Nederland werkt samen met andere Europees landen van de Europese Unie (Exotenverordening). Met alle
Europese landen vindt tevens overleg plaats over invasieve exoten via de Bern Conventie (initiatief van de Raad van Europa). Daarnaast heeft Nederland het wereldwijde biodiversiteitsverdrag (CBD) ondertekend, waaruit verplichtingen voortvloeien op het gebied van invasieve exoten.
Marien
Naast IenW is LVVN vanuit de biodiversiteitsopgave en bescherming van ecosystemen ook verantwoordelijk voor exotenbeleid op de Noordzee. De problematiek, de schaal, de betrokken stakeholders (waaronder overheden) en de mogelijkheden zijn voor het mariene milieu van andere orde dan voor de natuur op land en in zoetwater. Voor mariene exoten zijn onder meer van toepassing de Europese Kaderrichtlijn mariene strategie, de ballastwater conventie en de scheepshuidaangroei richtlijnen onder de International Maritime Organization (IMO).

23 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

4 Preventie: zorg dat invasieve soorten niet het land (of bijbehorende wateren en lucht) binnenkomen
Onder preventie verstaan we het treffen van voorzorgsmaatregelen zodat invasieve exoten Nederland (via land, water of lucht) niet binnenkomen, zich niet kunnen vestigen en zich niet verder verspreiden binnen Nederland of naar buurlanden. Het belang van preventie staat meer uitgebreid beschreven in de contouren en preventie kan op allerlei manieren vorm krijgen.

In de contouren is tevens uiteengezet dat bij de aanpak van invasieve exoten praktisch altijd sprake is van maatwerk. Ook voor preventie geldt dat er niet één generieke oplossing of preventie-aanpak bestaat die werkt in alle gevallen, bij alle soorten. Het betreft immers zeer uiteenlopende soortgroepen van planten en dieren (landplanten, waterplanten, zoogdieren, vissen, reptielen, ongewervelden etc.) die voorkomen in uiteenlopende milieus (land, zoetwater, zee). Er zijn allerlei introductieroutes waarlangs invasieve exoten het land binnen kunnen komen (kweek en handel, scheepvaart, toerisme etc.) en allerlei manieren van verdere verspreiding in het land (dumpingen, zaailingen, wegbeheer, baggeren etc.). Dit betekent dat verschillende invasieve exoten en in het verlengde daarvan ook verschillende partijen (doelgroepen en stakeholders) een eigen preventie-aanpak vergen.
Tevens kan er sprake zijn van bewuste (opzettelijke) handelingen en onbewuste (onopzettelijke) handelingen. Waarbij in de praktijk niet altijd duidelijk is van welke van die twee precies sprake is. Denk bijvoorbeeld aan import van invasieve exotische planten of dieren die vervolgens in Nederland in het milieu worden gebracht of invasieve exoten, zoals insecten, eitjes van dieren of zaad van planten, die per ongeluk met een product, container of transportmiddel meeliften en het land binnenkomen.
Relevante aanbeveling uit evaluatie:

Aanbeveling 7) Inzet op meer preventie: onderzoek hoe preventie (tegengaan introductie en onopzettelijke verspreiding) verder uitwerking kan krijgen dan wel aanpassingen vergt bij nieuwe ontwikkelingen. Dit vraagt voortzetting van goede analyses van ‘pathways’, inzicht in handelingsperspectief per soort en inzicht in de te verwachten effectiviteit en daarmee prioriteit per te betrekken partijen (denk aan andere ministeries, RWS, ProRail, bedrijfsleven, soortenorganisaties, brancheorganisaties, etc.).
In de paragrafen hieronder staan de beleidsinstrumenten voor preventie beschreven die een brede werking hebben: kennis, verbieden, monitoring, communicatie en voorlichting en samenwerking. De preventiemaatregelen beschreven in dit hoofdstuk zijn nuttig, nodig en van toepassing voor alle soorten van de Unielijst en voor uitheemse soorten waarvan invasiviteit vermoed wordt of reeds is vastgesteld, maar die (nog) niet op een formele lijst staan zoals de Unielijst.
Vervolgens wordt ingegaan op de actieplannen voor introductieroutes (pathway action plans) die gericht zijn op specifieke introductieroutes. Dit is een verplichting van de Exotenverordening (artikel 13) die lidstaten vraagt te focussen op prioritaire introductieroutes van Unielijstsoorten en hiervoor een preventieve aanpak te ontwikkelen.
Ieder onderdeel eindigt met een korte analyse van verbeterpunten en een kader met de aanbevelingen uit de evaluatie die op dat onderdeel van toepassing zijn. Waarna een tabel volgt met daarin voorstellen voor extra maatregelen die noodzakelijk zijn voor ontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid om tot effectieve preventie, bestrijding en beheer van invasieve exoten te komen in Nederland.

4.1 Kennis
Preventie van introductie en verspreiding begint met weten welke soorten (in meer of mindere mate) invasief zijn. Dit betekent dat de kennis over risicosoorten en risico’s op orde moet zijn en actueel moet worden gehouden. Deze kennis is onder meer van belang voor de beleidsvorming en ten behoeve van de besluitvorming in Europa:
• Kennis over risicosoorten en risico’s is nodig voor Nederlandse standpuntbepaling ten aanzien van voorstellen van de Europese Commissie voor uitbreiding van de Europese Unielijst (artikel 4 Exotenverordening).
• Het team invasieve exoten (TIE) van het (onafhankelijke) bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (BuRO) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) brengt risicosignalen en -adviezen uit, verzamelt informatie over soorten (factsheets met beknopte informatie over verspreiding, handelingsopties, mogelijke schade etc.) en ondersteunt op deze wijze het ministerie van LVVN bij de beleidsvorming. Het team richt zich vooral op exoten die schadelijk zijn voor de natuur, maar heeft ook oog voor schade aan de volksgezondheid, economie en veiligheid. BuRO maakt hiervoor gebruik van (wetenschappelijke) publicaties uit het veld en eigen organisatie (het Nederlands Instituut voor Vectoren, Invasieve Planten en Plantgezondheid - NIVIP).
• De kennisbasis bij wetenschappelijke instituten zoals de Radboud Universiteit (RU) en Wageningen University & Research (WUR) en soortenorganisaties dient op orde te zijn, zodat kennisontwikkeling en kennisdeling kunnen plaatsvinden.
Kennis is ook van belang in de andere stadiums; vroege signalering en snelle eliminatie, beheersing, herstel en acceptatie. Kennis komt daarom ook in de andere hoofdstukken aan de orde.
Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van kennis
• De kennisbasis is geen vanzelfsprekendheid. Bij kennisinstellingen zoals de RU en WUR blijkt dat de invasiebiologie (risico-analyses) en kennis over (bestrijding van) invasieve exoten financiële borging behoeven, omdat continuïteit anders niet is te garanderen. Het opbouwen van kennisstructuren, kennisnetwerken en samenwerkingsverbanden kost tijd. Het ontbreken van financiering of het gebrek aan continuïteit van financiering doet afbreuk aan de kennisbasis.
• Er is geen gezamenlijke kennisagenda van betrokken partijen. Via verschillende kennisinstellingen en samenwerkingsverbanden zoals het Nederlands Expertise Centrum Exoten (NEC-E), OBN Natuurkennis, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA), Kennisnetwerk Invasieve Exoten (KNIE) en werkgroepen van provincies en waterschappen wordt veel onderzoek in gang gezet en afstemming gezocht. Toch valt op het vlak van een gezamenlijke kennisagenda (onder meer afstemming over vraagformulering, prioritering, financiering etc.) én kennisdeling nog veel te winnen. Versnippering van inzet en kennis kan worden voorkomen, evenals herhaling van onderzoek. Bovendien ontstaat door samenwerking meer slagkracht.
• BuRO brengt geregeld adviezen uit en biedt deze met aanbevelingen aan LVVN (en VWS) aan. Door een gebrek aan capaciteit bij beleid kan in onvoldoende mate opvolging worden gegeven aan deze aanbevelingen. De adviezen van BuRO die invasieve exoten aangaan die niet zozeer voor de biodiversiteit een probleem vormen maar voor andere beleidsterreinen, worden ingebracht in de interdepartementale coördinatiestructuur plaagsoortbeheersing.
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van kennis
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van kennis komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.1.1 Professionaliseer kennismanagement op nationaal niveau.
4.1.2 Versterken capaciteit bij beleid LVVN voor opvolging van risico- en signaaladviezen van BuRO.
4.1.3 Borgen van kennisbasis door financiering van vakgroep Invasiebiologie/RU, WUR, soortenorganisaties en NEC-E e.a.
4.1.4 Het opstellen en volgen van een gezamenlijke kennisagenda en verbeteren van kennisdeling.
4.2 Verbieden
Zodra invasieve soorten in beeld zijn kan worden overwogen deze te verbieden om introductie en (verdere) verspreiding te voorkomen. Dit is de ‘harde kant’ van preventie.
Exotenverordening
Binnen de Europese Unie geldt sinds 2015 de Europese Exotenverordening die van toepassing is op alle zorgwekkende invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst (verder: Unielijst). Op deze Unielijst staan momenteel 114 invasieve plant- en diersoorten. De Unielijst wordt via een Europees besluitvormingsproces vastgesteld (artikel 4 Exotenverordening). De verboden die van toepassing zijn op (opzettelijke handelingen met) de soorten van de Unielijst staan beschreven in artikel 7 lid 1 van de Exotenverordening.
Artikel 7 lid 1 van de Exotenverordening

De voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten mogen niet opzettelijk:
a) op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht, ook niet door middel van doorvoer

onder douanetoezicht;
b) worden gehouden, ook niet in een gesloten omgeving;
c) worden gekweekt, ook niet in een gesloten omgeving;
d) naar, uit of binnen de Unie worden vervoerd, behalve om in het kader van uitroeiing naar

voorzieningen te worden vervoerd;
e) in de handel worden gebracht;
f) worden gebruikt of uitgewisseld;
g) worden toegestaan zich voort te planten, te worden gekweekt of geteeld, ook niet in een

gesloten omgeving; of
h) worden vrijgelaten in het milieu.

Daarnaast zijn er andere Europese verordeningen die relevante verplichtingen bevatten in relatie tot fytosanitaire regels rondom plantgezondheid en aquacultuur. Zie hiervoor ook bijlage 1.
Nationaal handelsverbod
Naast de verboden van de Exotenverordening voor de soorten van de Unielijst geldt in Nederland momenteel tevens een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a Besluit activiteiten leefomgeving).
Positieflijsten voor diersoorten
In Nederland geldt op dit moment een huis- en hobbydierenlijst voor zoogdieren, waarop circa 30 zoogdieren staan die in Nederland gehouden mogen worden. Daarnaast werkt LVVN op dit moment aan een positieflijst voor reptielen.
Positieflijsten kunnen op de lange termijn een preventieve werking hebben om de introductie van nieuwe potentieel invasieve exoten in Nederland te voorkomen. Positieflijsten zijn lijsten met diersoorten die in Nederland gehouden mogen worden. Soorten die niet op een positieflijst staan mogen niet meer worden geïmporteerd en er mag niet meer mee worden gefokt. Positieflijsten kennen inherent een ‘nee-tenzij’principe, wat betekent dat het houden van een diersoort in beginsel verboden is, tenzij een soort na een risicobeoordeling expliciet op de lijst wordt geplaatst.
Hoewel het invasiepotentieel van een soort niet expliciet wordt meegenomen in deze beoordeling, wordt met een positieflijst de hoeveelheid diersoorten die gehouden mogen worden fors teruggedrongen.
Dit betekent dat veel minder soorten kunnen ontsnappen of bewust kunnen worden uitgezet in het Nederlandse milieu. De kans op het ontstaan van een ‘nieuwe’ invasieve soort wordt zo kleiner. Soorten die op de Europese Unielijst staan, komen vanzelfsprekend niet in aanmerking voor opname op een positieflijst. Daarnaast zorgen positieflijsten op nationaal niveau voor meer helderheid richting houders, handelaren en toezichthouders. Het is dan duidelijk welke soorten wél gehouden mogen worden. Dit maakt de naleving en handhaving eenvoudiger dan bij een lijst met verboden soorten, waar soms grijze gebieden kunnen bestaan. Ook dragen de lijsten bij aan bewustwording bij burgers en de handel dat niet elke diersoort geschikt of verantwoord is om te houden. Dit verkleint de kans op impulsieve aanschaf van exotische soorten in het algemeen.
Werkzaamheden en taakverdeling
LVVN geeft invulling aan deze ‘harde kant’ van preventie door:
• Toezicht en handhaving van de verplichtingen van de Exotenverordening die gelden voor soorten van de
Unielijst door NVWA en RVO in samenwerking met de Douane die verantwoordelijk is voor grenscontroles
(officiële controles onder artikel 15 van de Exotenverordening);
• Toezicht en handhaving op het nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (Omgevingswet, artikel 11.109a Bal) en het algemeen uitzetverbod voor (exotische) dieren door NVWA en RVO (Omgevingswet, artikel 11.61 Bal en artikel 4.12 lid f Omgevingsbesluit).
• Toezicht en handhaving door NVWA en RVO op bevissing van en handel in uitheemse rivierkreeften en Chinese wolhandkrab waarvoor een vrijstellingsregeling voor bevissing geldt (als beheersmaatregel).
• Het beoordelen van aanvragen en verlenen van maatwerkvoorschriften voor wetenschappelijk onderzoek en ex-situ houden van invasieve uitheemse soorten door RVO (conform artikel 8 en 9 van de Exotenverordening).
• Het beoordelen van aanvragen en verlenen van maatwerkvoorschriften door RVO voor de opvang van dieren van de Unielijst volgens de beleidsregel kwaliteit opvang invasieve uitheemse soorten (als beheersmaatregel conform artikel 19 en artikel 17 en artikel 31.
• Inbeslagname en inbewaringname (strafrechtelijk en bestuursrechtelijk) van voornamelijk invasieve exotische dieren na overtreding van regelgeving waarbij RVO en NVWA het dier gedurende de procedure tijdelijk onderbrengen bij opslaghouders.
• Waar nodig omzetting van Europese Exotenverordening naar nationale regelgeving, zoals overdracht van Unielijstsoorten aan provincies onder de Omgevingswet en aanpassing van visserijwetgeving.
• Voorbereiding van besluitvorming over uitbreiding van de Unielijst, waaronder Nederlandse vertegenwoordiging in het Europees wetenschappelijk forum en besluitvorming in het Europees IAS-comité.
• Invulling van de bevoegdheid om een nationale lijst op te stellen voor invasieve exoten die schadelijk kunnen zijn in Nederland, en om voor die soorten maatregelen te treffen (artikel 12 Exotenverordening). Nederland heeft sinds 1 januari 2022 een nationaal handelsverbod op drie Aziatische duizendknopen.
Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van verbieden
De verboden van de Exotenverordening gelden alleen voor opzettelijke handelingen en beperken zich tot soorten van de Unielijst. De Europese Unielijst blijkt voor Nederland te beperkt; handel van invasieve exoten blijft toegestaan zolang de soort (nog) niet verboden is onder de Exotenverordening. En er gaat beperkt werking uit van de Exotenverordening naar partijen om te voorkomen dat ónopzettelijke handelingen plaatsvinden waarmee invasieve exoten worden geïntroduceerd en verspreid in ons milieu. Verbeterpunten:
• Nederland kan invasieve exoten bij de Europese Commissie voordragen voor plaatsing op de Europese Unielijst. Plaatsing op de Unielijst is een langdurig traject en de uitkomst is onzeker, onder meer omdat een meerderheid van lidstaten nodig is.
• Soorten die binnen de Europese Unie (in andere regio's) inheems zijn, maar die in Nederland uitheems en invasief zijn, kunnen nooit op de Unielijst worden geplaatst. Hetzelfde geldt voor invasieve exoten die niet schadelijk zijn voor de biodiversiteit. In die gevallen kunnen soorten worden verboden met een nationaal handelsverbod vergelijkbaar met het nationaal handelsverbod op Aziatische duizendknopen (ingegaan op 1 januari 2022). Dat nationaal handelsverbod lijkt vooralsnog erg effectief; met name wat betreft toename van bewustwording en voorzorgsmaatregelen die in het veld worden getroffen. Een handels verbod geeft een duidelijk signaal af naar de samenleving, dat handel van invasieve exoten niet opweegt tegen de risico’s en schade voor de biodiversiteit en maatschappij.
• De verboden van de Exotenverordening richten zich op opzettelijke handelingen, terwijl verspreiding van invasieve exoten ook via onopzettelijke handelingen plaatsvindt. Bij inwerkingtreding van het nationaal handelsverbod op Aziatische duizendknopen onder de Omgevingswet bleek deze een bredere werking te hebben op álle handelingen, ook onopzettelijke handelingen waarbij de invasieve exoot onbedoeld ‘meelift’. De les is dat een nationaal handelsverbod een sterker preventief karakter kan hebben dan de Exotenverordening als het gaat om handelingen waarbij (delen van) invasieve exoten onbedoeld worden versleept, bijvoorbeeld als meelifters in grond, bagger en maaisel.
Positieflijsten kunnen op de lange termijn een preventieve werking hebben om de introductie van nieuwe potentieel invasieve exoten in Nederland te voorkomen. De Tweede Kamer heeft de regering met een motie van de leden De Groot en Moorlag verzocht om ook een positieflijst voor amfibieën, vogels en reptielen te ontwikkelen (Kamerstuk 35570-XIV-41). Deze motie is vanuit de overweging aangenomen dat het houden van exotische dieren het risico op zoönose verhoogt. Het risico op introductie en verspreiding van (invasieve) exoten in het milieu is ook aanwezig. Hoe minder soorten dieren in Nederland gehouden worden, hoe kleiner de kans dat deze in het milieu terecht komen.
Relevante aanbevelingen uit evaluatie:

Aanbeveling 6) Voorstellen wijzigingen verordening: onderzoek of Nederland wijzigingen
Exotenverordening kan realiseren (flankerend beleid, nationale lijsten, schadeloosstelling en gebruik van tussencategorieën).

Aanbeveling 8) Verbeteringen samenwerking NVWA en RVO: onderzoek of verbeteringen mogelijk zijn in samenwerking NVWA en RVO (bij handhaving verontreinigde producten en beoordeling aanvragen ontheffingen) en kijk naar doorontwikkeling van import controlesysteem (opnemen familie- én subnamen).
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van ‘verbieden’
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van ‘verbieden’ komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.2.1 Verkenning van een nationaal handelsverbod of Europees verbod (plaatsing op Unielijst) op Paulownia tomentosa. Zowel ondernemers als overheden behoeven duidelijkheid over welke Paulownia soorten invasief zijn en welke niet. Plaatsing van de invasieve exoot op de Unielijst wordt voorlopig niet verwacht en is altijd afhankelijk van Europese besluitvorming. Een handelsverbod schept die duidelijkheid richting toeleveranciers, boomkwekers en handelsketen die (willen) investeren in (veredeling, teelt en verwerking van) Anna Paulowna bomen voor hout, biomassa en andere doeleinden. En richting overheden of de aanplant wel of niet (toegestaan en) ondersteund kan worden.
4.2.2 Ondervangen van de handel in andere risicosoorten door een nationale positieflijst op te stellen voor reptielen. Een positieflijst voor reptielen is een effectieve manier om (op langere termijn) het risico te verkleinen dat potentieel invasieve uitheemse reptielen in het milieu terecht komen. Daarbij verdient het risico van dumping (als gevolg van een landelijk verbod op reptielen die níet op deze lijst staan) wel aandacht. Een goede overgangsregeling en communicatie daarover is van belang (toestaan van het bezit van dieren die voor inwerkingtreding al gehouden werden en voor de niet-Unielijstsoorten ook de verkoop door particulieren toestaan).
4.2.3 Voldoende handhavingscapaciteit bij NVWA en RVO voor maatwerk en meer aandacht voor handhaving. Door onder meer:
• Het behandelen en oplossen van specifieke toezichts- en handhavingsvragen.
• De vertaling van regels naar de uitvoeringspraktijk en het houden van voorlichtingsbijeenkomsten voor diverse sectoren en doelgroepen (programmatisch handhaven).
• Samenwerking met andere toezichthouders.
4.2.4 Verkenning van een mogelijk nationaal handelsverbod op typisch ‘Nederlandse’ invasieve exoten, zoals gele bieslelie, termieten en overlast gevende mieren zoals het Mediterraan draaigatje en de plaagmier. Daarbij wordt gekeken of het handelsverbod voor specifieke risicosoorten of hele soortgroepen kan worden getroffen. Aanleiding hiervoor is de schade en overlast die deze soorten nu al veroorzaken (vroeg stadium van introductie en verspreiding). Er blijkt handel in exotische plaagsoorten, zoals termieten en mieren, door en voor liefhebbers. Het houden van plaagsoorten draagt het risico in zich dat exemplaren ontsnappen of zelfs worden gedumpt in het milieu. Een nationaal handelsverbod zal ook uitwerking hebben op het onopzettelijk verspreiden of importeren van deze plaagsoorten als meelifters in andere producten (zoals sierteelt) en (bouw-) materialen (zoals hout en grond).
4.3 Signalering en monitoring
Signalering en monitoring van nieuwe introducties en verspreiding van invasieve exoten in het milieu is van belang om goede preventiemaatregelen te kunnen treffen. Signalering is het waarnemen van een eerste introductie of eerste vestiging (surveillance), bijvoorbeeld door burgers, meldingen bij overheden of resultaten van officiële inspecties (douane, bedrijfsbezoeken). Zo kan vroeg worden ingegrepen bij nieuwe introducties (zie H6 ‘vroege signalering en snelle eliminatie’) of worden ingeschat dat aanvullend maatregelen nodig zijn om verdere verspreiding tegen te gaan. Monitoring is het structureel en volgens een vaste systematiek verzamelen van gegevens om daar (vaak met statistische analyses) trends uit af te leiden. Alleen meerdere waarnemingen die volgens dezelfde systematiek zijn verzameld zijn bruikbaar voor monitoring. Het monitoren van ontwikkelingen is nodig om in te kunnen schatten of een soort zich invasief gedraagt.
Gegevens uit monitoring worden tevens gebruikt bij de rapportage aan de Europese Commissie die iedere zes jaar plaatsvindt (artikel 24 Exotenverordening).
Lidstaten moeten daarom een surveillancesysteem hebben dat de verspreiding van invasieve exoten verzamelt via onder andere onderzoeks- en monitoringprocedures (artikel 14 Exotenverordening). Het surveillance systeem invasieve exoten in Nederland bestaat uit zeven samenhangende onderdelen (zie ook bijlage 2):

  1. Gestructureerde monitoring in aansluiting op de bestaande natuurmonitoring (NEM);
  2. Gegevensbeheer in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF);
  3. Citizen science surveillance;
  4. Signaleringsproject invasieve exoten;
  5. Nederlandse soorten register;
  6. Alert systeem invasieve exoten;
  7. Mariene exoten signaleringsnetwerk (MES).
    Binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) worden volgens geldende standaarden en protocollen gestructureerde tellingen verricht naar soorten. Dit gebeurt onder professionele coördinatie van de soorten organisaties. Dankzij het uitgebreide vrijwilligersnetwerk van de soortenorganisaties zijn we in Nederland goed geïnformeerd over wat er in het milieu zit en waar het zit. De tellingen van invasieve exoten (voornamelijk van de Unielijst) door de soortenorganisaties zijn een aanvulling op de waarnemingsdata die reeds in het NDFF te vinden zijn. Het NDFF op zijn beurt wordt voornamelijk gevuld via waarnemingen die onder meer via Waarneming.nl binnenkomen.
    Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van signalering en monitoring
    • Nieuwe methoden kunnen de effectiviteit of de efficiëntie van de monitoring vergroten, zoals de toepassing van geautomatiseerde cameravallen, environmental DNA in water of de inzet van drones, satelliet-data en artificial intelligence bij meer wijdverspreide soorten. Deze methoden verdienen verdere verkenning.
    • Signalering en monitoring van instroom van invasieve exoten vanuit gebieden waar de soort al aanwezig is naar gebieden waar de soort nog niet voorkomt verdient aandacht. Dit speelt zowel binnenlands voor schone gebieden waar de intrede van (wijdverspreide) invasieve exoten voorkomen moet worden. Als ook in de grensgebieden waar via land (met name mobiele dieren) en via waterwegen (ook land- en waterplanten) vanuit buurlanden de daar soms al wijdverspreide soorten zich bewegen richting Nederland.
    • Validatie van burgerwaarnemingen blijft een aandachtspunt. Met het toenemen van de verspreiding van opvallende invasieve exoten neemt ook het aantal ‘vals positieve’ waarnemingen toe. Waarnemingen van andere, aan invasieve exoten gelijkende, soorten ‘vervuilen’ de datasystemen. Bijvoorbeeld meldingen van de Aziatische hoornaar welke in sommige gevallen de inheemse Europese hoornaar blijken te zijn. Dit soort valse meldingen kunnen een vertekend beeld van de verspreiding geven. Validatie van alle waarnemingen door experts, met name van invasieve exoten met een eliminatiedoelstelling, wordt daardoor steeds relevanter. De kosten van validatie zullen toenemen, maar wegen op tegen de kosten van overbodige vervolgacties.
    • Er is geen centraal systeem waarin besmettingshaarden van invasieve exoten van de waarnemingskaart of uit het datasysteem kunnen worden verwijderd nadat een soort volledig uit het milieu is verwijderd. Een actueel en accuraat datasysteem is van belang voor efficiënte inzet van bestrijdingsmaatregelen en voor goed georganiseerde monitoring van resultaten. Aandachtspunt daarbij is dat het verwijderen van gegevens zorgvuldig wordt georganiseerd.
    • Een gebruiksvriendelijk meldingssysteem is belangrijk, waarbij ook duidelijk moet zijn hoe de validatie van waarnemingen verloopt. Een belangrijk instrument voor vroege signaleringen is Waarneming.nl. Provincies willen afspraken maken met meldingssystemen over dienstverlening.
    Relevante aanbeveling uit evaluatie:

Aanbeveling 15) Actuele verspreiding van Artikel 17 en 19 soorten in beeld: behoefte van provincies aan inzicht in actuele verspreiding van artikel 17 en artikel 19 soorten die nog uit te roeien zijn. Kijk of hiervoor nieuwe/betere monitoringssystemen bestaan (of ontwikkeld kunnen worden) zodat provincies sneller in actie kunnen komen.
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van signalering en monitoring
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van signalering en monitoring komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.3.1 Verkennen van nieuwe methoden die de effectiviteit of de efficiëntie van de monitoring kunnen vergroten.
4.3.2 Project voor slimme signalering in grensgebieden. Hiervoor wordt samen met provincies en waterschappen ingezet op grensoverstijgende samenwerking met de buurlanden. 
4.4 Communicatie en voorlichting
Goede preventie hangt voor een belangrijk deel af van kennis, bewustwording, handelingsperspectief en (vrijwillige) medewerking van uiteenlopende partijen zoals burgers, bedrijven, ngo’s, belangenorganisaties, terreinbeheerders en medeoverheden. Dit kun je zien als de ‘zachte kant’ van preventie, omdat partijen hiertoe niet zijn te dwingen maar overtuigd moeten worden om uit eigen beweging voor het algemeen belang iets te doen of te laten. Tegelijkertijd is preventie in veel gevallen de meest kosteneffectieve maat regel en soms zelfs de enige optie. Betrokkenen moeten worden overtuigd dat zij een eigen verantwoordelijk heid hebben bij het voorkomen van introductie en (verdere) verspreiding van (verboden en niet verboden) invasieve exoten. Daarnaast moeten ze ook de kennis én de mogelijkheid hebben om die verantwoordelijkheid in te kunnen vullen.
Medewerking van burgers en partijen kan op uiteenlopende wijze worden bereikt en begint met betrouwbare informatie, bewustwording van de risico’s en het bieden van handelingsperspectief. Dit is noodzakelijk, maar niet voldoende om te komen tot gedragsverandering. Op dit moment geeft LVVN hier invulling aan door:
• Voorlichting door algemene informatie over invasieve exoten op de website van de NVWA (soorteninformatie en adviezen/rapporten, waaronder Horizonscan) en algemene informatie over de regelgeving op de website van RVO.
• Publicaties en uitgaven van de NVWA, zoals de risico- en signaaladviezen, factsheets van de soorten van de Unielijst en veldgidsen voor invasieve waterplanten en invasieve houtige plantsoorten.
• NVWA en RVO bezoeken regelmatig bijeenkomsten en om gericht doelgroepen voor te lichten, denk aan kennisbijeenkomsten over Aziatische duizendknopen, de landelijke dag dierenhulpverlening of beurzen waar in exotische dieren wordt gehandeld.
• Voorlichtingsmateriaal van het project Tuin er niet in! Van FLORON in opdracht van BuRO/NVWA dat bij de aanschaf van tuinplanten informeert of deze mogelijk invasief zijn en tips te krijgen over (veilige) alternatieven.
• Aanbod van onderwijsmodules over invasieve exoten door BuRO/NVWA voor MBO groen en bovenbouw HAVO en VWO (digitale leeromgeving LINVEXO).
• Infoblad ‘verwijderen van invasieve exoten’ als onderdeel van de campagne Sterker met Natuur dat terreinbeheerders kunnen verstrekken aan bezoekers.
• Mailingen vanuit LVVN over Brusselse ontwikkelingen (uitbreidingen Unielijst) aan stakeholders.
• Project rond insleep van Mediterraan draaigatje met TuinbrancheNL en EIS Naturalis, waarbij importeurs en leveranciers van olijfbomen uit Mediterrane Europese landen worden aangesproken op insleep van deze invasieve mieren.
• Communicatie bij inwerkingtreding hobby- en huisdierenlijst zoogdieren (en hierna voor reptielen) over overgangstermijn voor dieren die al in bezit zijn, teneinde dumping van (invasieve exotische) dieren te voorkomen.
• (Visuele) instructiebladen voor opleidingen van groenbeheerders en bouwsector (financiering via ‘Kennis op Maat’ van WUR).
• Bevorderen van het gebruik en toepassing van het handelingskader transport invasieve exoten door medeoverheden (en andere partijen). Met als doel dat terreinbeherende overheden bij eigen werkzaamheden, opdrachten en subsidies voorzorgsmaatregelen treffen om verdere verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan. Concreet gaat het hier om het voorkomen van verdere verspreiding van invasieve exoten, zoals Aziatische duizendknopen en uitheemse rivierkreeften, via werkzaamheden zoals bermbeheer, grondverzet en baggeren.
Bijlage 3 bevat een niet-uitputtend overzicht van betrouwbare websites van andere (netwerk-)partijen over uiteenlopende aspecten rond invasieve exoten.
Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van communicatie en voorlichting
• Er is grote behoefte aan betrouwbare informatie over invasieve exoten. Op veel plekken is al informatie beschikbaar, maar die is versnipperd en opgesteld voor verschillende doelgroepen. De aard van de informatie is afhankelijk van achtergrond van de aanbieder. De samenhang tussen deze informatie is niet altijd duidelijk. Het ontsluiten hiervan voor het grote publiek en het wegwijs maken in het grote aanbod van betrouwbare, goed onderbouwde informatie is een verbeterpunt.
• Meer inzet is gewenst op het actief informeren en communiceren middels een slimme communicatiestrategie, waarbij bestaande initiatieven uit het veld in hun kracht worden gezet en versterkt. De meeste informatie is weliswaar beschikbaar voor diegenen die zelf op zoek gaan, maar wordt niet actief gecommuniceerd. Relevante doelgroepen worden niet altijd voldoende bereikt. Om een grotere bijdrage te kunnen leveren aan het creëren van bewustwording en gedragsverandering is actieve aandacht voor het thema en het gewenste gedrag nodig. In de communicatie zal zoveel mogelijk aangesloten worden bij bestaande kanalen en ingangen van serieuze partijen (medeoverheden, instellingen, brancheorganisaties, samenwerkingsverbanden etc.) richting specifieke doelgroepen. Op die manier kan optimaal invulling worden gegeven aan de noodzaak tot maatwerk wat betreft type exoot, introductieroute, handelingsperspectief, tone of voice etc. en kan de betreffende doelgroep heel gericht worden benaderd. Daarnaast zal communicatie vanuit de eigen organisatie via eigen kanalen niet alleen een groter bereik hebben, maar ook meer impact hebben bij de achterban.
• Artikel 7 lid 2 van de Exotenverordening bevat een opdracht aan de lidstaten om inzet te plegen op voorkomen van onopzettelijke verspreiding van soorten van de Unielijst. Twee verbeterpunten waar nog veel te winnen valt;

  • Verhogen van bewustzijn van het publiek en stakeholders over wat onopzettelijk verspreiding dan precies is en hoe dit te voorkomen.
  • Meer inzet op het voorkomen van onopzettelijke verspreiding van niet-Unielijstsoorten.
    • In het kader van onopzettelijke verspreiding spelen protocollen en handelingskaders (zoals Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen en het Praktisch handelingskader transport en verwerking van invasieve exoten) een belangrijke rol in het tegengaan van verdere verspreiding van invasieve exoten door het beschrijven van werkwijzen en richtlijnen voor bestrijding en transport.
    • Er wordt al veel gedaan aan informatievoorziening en voorlichting. Toch is er veel ‘laaghangend fruit’, dat wil zeggen er zijn al veel initiatieven in het veld die LVVN kan ondersteunen of versterken.
    Relevante aanbeveling uit evaluatie:

Aanbeveling 16) Verbeteringen informatie en kennis: kijk naar beter bundelen en toegankelijk krijgen van relevante informatie en kennis voor verantwoordelijke en belanghebbende partijen in het gehele systeem voor de aanpak van invasieve exoten. Let op verschillen in kennisbehoefte op provincie- en lokaal niveau.
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van communicatie en voorlichting
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van communicatie en voorlichting komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.4.1 In samenwerking met kennisinstellingen en medeoverheden ontwikkelen en uitrollen van een communicatiestrategie gericht op bewustwording en het belang van preventie. Daarbij wordt zoveel mogelijk actief de samenwerking gezocht met relevante stakeholders (zoals branche- en koepelorganisaties binnen de sierteeltsector, dierenhandel, soortenorganisaties, dierbeschermings organisaties en andere partijen uit het maatschappelijk middenveld etc). Enerzijds om binnen die stakeholders zelf het bewustzijn over het belang van het onderwerp te vergroten, anderzijds om gericht en effectief met de verschillende doelgroepen te communiceren. In de uitwerking ligt de focus op de prioritaire pathways (dierenhandel en sierteelt, mogelijk uitgebreid met een derde prioriteit).
4.4.2 Als onderdeel van de communicatiestrategie wordt de ontwikkeling van een koepelconcept voor communicatie over thema invasieve exoten verkend. Met een dergelijk koepelconcept (dat organisaties naar eigen inzicht kunnen gebruiken) kan verbinding en samenhang aangebracht worden tussen de boodschappen/uitingen van de verschillende organisaties, waardoor deze elkaar gaan versterken. Daarnaast kan een dergelijk koepelconcept ook gebruikt worden als ‘neutrale’ afzender voor zowel bredere, meer algemene communicatiecampagnes, als voor doelgroep specifieke communicatie. Er worden bouwstenen ontwikkeld die partners op eenvoudige wijze kunnen aanpassen en gebruiken voor communicatie via hun eigen kanalen.
4.4.3 Realisatie van een landelijk informatiepunt invasieve exoten: het bouwen en onderhouden van het digitale portaal waarmee gebruikers wegwijs worden gemaakt en doorverwezen naar betrouwbare websites. Het informatiepunt moet gaan fungeren als landingspunt voor alle doelgroepen die informatie zoeken over invasieve exoten: burgers, terreinbeheerders, overheden, brancheorganisaties, onderwijs etc. en wordt daar qua structuur op ingericht. Algemene informatie staat op het portaal zelf, voor meer specifieke informatie wordt doorverwezen. Het portaal kan als basis fungeren voor alle communicatie onder het label van het te ontwikkelen koepelconcept. Aandachtspunt is de financiering op de langere termijn voor beheer en doorontwikkeling.
4.4.4 Actualiseren en bevorderen van het gebruik en toepassing van het handelingskader transport invasieve exoten door mede-overheden (en andere partijen). Het gaat er daarbij om dat organisaties zorgvuldig en hygiënisch werken in de eigen werkzaamheden en processen integreren om verdere verspreiding van in Nederland aanwezige invasieve exoten te voorkomen.
4.4.5 Financieel ondersteunen van communicatie-initiatieven van brancheorganisaties en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Zij hebben zicht op eigen achterban en directe ingang richting hun klanten of leden. We zien dat de bewustwording toeneemt. Dat juichen we toe en stimuleren we door voorlichtingsinitiatieven die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen subsidie te geven. Zie voor een niet uitputtend overzicht van mogelijke onderwerpen bijlage 4.
4.5 Samenwerking met medeoverheden en stakeholders
Goede samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen zoals overheden, terreinbeheerders, brancheorganisaties en kennisinstellingen, is een voorwaarde om passend en effectief preventiebeleid te voeren. Overheden en stakeholders hebben ieder een andere rol, verantwoordelijkheid en invloed op de problematiek van invasieve exoten. Omdat iedere partij zich anders verhoudt tot de specifieke soorten, de doelgroepen, introductieroutes en verspreidingswegen van risicosoorten etc., zijn alle partijen nodig om tot een gedegen aanpak en oplossingen te komen. Samenwerking in een sterk netwerk zorgt voor betere dekking, samenhang en impact van maatregelen. Een sterk netwerk wisselt kansen binnen regelgeving en voor financiering uit, naast inhoudelijke kennisuitwisseling over soorten en maatregelen.
Het beleidsterrein van invasieve exoten kent veel samenwerkingsvormen, netwerken en overlegstructuren.
Deze samen vormen een sterk veld dat relevant en onmisbaar is voor het preventiebeleid én voor LVVN. De diversiteit aan samenwerkingsvormen vormt ook een uitdaging om effectief en doelgericht het exoten beleid vorm te geven en uit te voeren. Vanuit LVVN wordt daarbij afhankelijk van de uitdaging een andere rol genomen, variërend tussen de rechtmatige, presterende, samenwerkende en responsieve overheid, zoals beschreven in het NSOB-sturingskwadrant.
Het ministerie van LVVN organiseert zelf een aantal overleggen en sluit aan bij diverse overleggen en werkgroepen over invasieve exoten die door netwerk- en brancheorganisaties worden georganiseerd. Een opsomming van overlegstructuren en samenwerkingsvormen die LVVN zelf organiseert of bijwoont staat in bijlage 5.
Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van samenwerking met medeoverheden en stakeholders
• Andere partijen en medeoverheden zijn medebepalend voor het behalen van de doelstellingen, zowel in positieve zin, doordat andere overheden en partijen zelf werken aan preventie en een belangrijke rol kunnen spelen om anderen te bereiken. Ofwel in negatieve zin, omdat overheden en partijen hun eigen gedrag soms zouden moeten aanpassen en preventie beter in hun eigen werkzaamheden moeten integreren. LVVN kan meer initiatief en regie nemen richting andere partijen en overheden om hen te bewegen meer invulling te geven aan hun rol en verantwoordelijkheden.
• Samenwerking met veel meer partijen en ook met andere (terreinbeherende) overheden kan nog veel beter. Momenteel wordt hier nog te weinig op ingezet en is het overleg en de samenwerking voornamelijk ad hoc en bilateraal. Het versterken van afstemming en samenwerking tussen partijen onderling en met LVVN, kan veel opleveren qua doelbereik en efficiëntie, maar kost ook meer inzet van LVVN en de betrokken partijen.
Relevante aanbevelingen uit evaluatie:

Aanbeveling 1) Afspraken met andere ministeries: over het proactief, vanuit een sterk preventief perspectief (en daarmee ook bestrijdend en beheersend), in het periodieke beheer en onderhoud van hun terreinen, gebouwen, wateren en infrastructuur gestalte gaan geven aan het voorkomen van introductie en het onopzettelijk verspreiden van invasieve exoten.

Aanbeveling 2) Structurele samenwerking tussen provincies, RWS en ProRail: bevorder vanuit LNV structurele samenwerking op het vlak van beheer en onderhoud van terreinen, gebouwen, wateren en infrastructuur.
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van samenwerking
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van samenwerking komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.5.1 Behouden en waar mogelijk verstevigen van samenwerking met provincies via provinciale taakgroep IUS (zie ook provinciaal ambitiedocument en landelijke afspraken in bijlage 6, 7 en 9).
4.5.2 Bestendigen c.q. doorstart van de Focusgroep bestrijding voor nationale afstemming. Onderzoeken of dit overleg verbreed moet worden met om partijen ook onderling met elkaar in contact te brengen en structurele samenwerking te bevorderen (Focusgroep bestrijding is een overleg op landelijk niveau tussen LVVN, provincies, RWS, Staatsbosbeheer, ProRail, UvW, VNG en VBNE).
4.5.3 Verder uitbouwen van de samenwerking met de sierteelt en tuinbouwsector om het bewustzijn over de risico’s van invasieve exoten te vergroten. Onder meer via de werkgroep invasieve exoten van Vakgroep Bomen, vaste planten en zomerbloemen van LTO-Nederland vindt afstemming plaats met de ketenpartijen over: • Uitbreidingen van de Unielijst.
• Het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van de sector ten aanzien van de samenstelling van het assortiment van de ketenpartijen (veredelaars, kwekers, veilingen, handel, hoveniers, bloemisten, tuincentra). Dit kan door inventarisatie van welke sierplanten invasief zijn en vrijwillige overstap naar veilige alternatieven, zoals inheemse planten. Zodoende komen ondernemers niet voor verrassingen te staan bij plaatsing van invasieve commerciële soorten op de Unielijst of een nationaal verbod.
• Voorlichting om insleep en verspreiding van invasieve exotische meelifters via potplanten of ander materiaal te voorkomen.
4.5.4 Bestendigen samenwerking met (natuur)terreinbeheerders via VBNE-werkgroep plaagsoorten en invasieve exoten. Ondersteuning en versterking van inzet TBO's via VBNE-werkgroep ten behoeve van afstemming en samenwerking, kennisdeling (vroege signalering, soortlijsten en adviezen) en voorlichting (voorbeeldfunctie).
4.5.5 Afspraken maken met alle terreinbeherende overheden die een verantwoordelijkheid hebben om werkzaamheden zorgvuldig uit te (laten) voeren. Met als doelstelling de introductie en het onopzettelijk verspreiden van invasieve exoten pro-actief en vanuit een preventieve insteek (bij alle werkzaamheden en processen) bij de aanleg, het periodieke beheer en onderhoud van hun terreinen, gebouwen, wateren en infrastructuur te voorkomen. Dit betreft onder meer Rijkswaterstaat, ProRail, Defensie, waterschappen, provincies en gemeenten. Via drie sporen:
a. Commitment van alle medeoverheden aan het handelingskader transport exoten (of andere kaders voor implementatie van hygiënisch werken) via intentieverklaring of convenant. En het streven is dat tevens relevante partijen uit het bedrijfsleven het handelingskader bij hun werkzaam heden gaan toepassen en zo verdere verspreiding van invasieve exoten via grond, bagger en maaisel zoveel als mogelijk te voorkomen.
b. Provincies gaan zelf ook regionaal samenwerking met landelijke TBO’s aan (Rijkswaterstaat, ProRail en Defensie).
c. Provincies pakken hun rol als gebiedsregisseur op richting gemeenten, TBO’s en andere
gebiedspartners.
4.5.6 Deelname LVVN in de interdepartementale coördinatiestructuur plaagsoortbeheersing. LVVN kan via deze coördinatiestructuur het contact met de VNG, en daarmee met de gemeenten, over hun aanpak van een aantal specifieke invasieve exoten en plaagsoorten stroomlijnen en verbeteren. Cofinanciering van de kosten coördinator en met wisselende inzet van diverse dossierhouders van verschillende directies.
4.5.7 Investeren in afstemming met opvangorganisaties en dierenambulances met betrekking tot bewustwording over schadelijke gevolgen van invasieve exoten en (knelpunten rond) de regels omtrent opvang.
4.6 Actieplannen voor introductieroutes (pathway action plans)
De Exotenverordening (artikel 13) schrijft lidstaten voor actieplannen voor introductieroutes op te stellen voor (nieuwe) soorten van de Unielijst. De actieplannen beschrijven de prioritaire introductieroutes, waarvoor maatregelen moeten worden getroffen. Deze maatregelen (en, in voorkomend geval, vrijwillige acties en codes van goede praktijk) zijn erop gericht om de prioritaire introductieroutes aan te pakken en de onopzettelijke introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten in of binnen de Unie te voorkomen. Hiertoe is eerst een analyse van prioritaire introductieroutes gemaakt. In deze analyse is onder meer gekeken naar de risico's op introductie van invasieve exoten door sierteelt, huisdieren, sportvisserij, toerisme, biomassa, bosbeheer, voedselbossen, zaadmengsels, pleziervaart en beroepsscheepvaart. Op dit moment heeft LVVN de dierenhandel en sierteelt en tuinbouw als prioritaire introductieroutes aangewezen.
Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen voor actieplannen voor introductieroutes
De huidige pathway analyses en de actieplannen voor introductieroutes moeten worden geactualiseerd naar aanleiding van de recente uitbreidingen van de Unielijst. Ook verdient de uitvoering van deze pathway actieplannen meer aandacht en inzet. De eerder beschreven preventiemaatregelen in dit hoofdstuk dragen allen bij aan de pathway actieplannen.
Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van actieplannen voor introductieroutes Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van actieplannen voor introductie routes komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
4.6.1 Actualiseren van de huidige pathway analyses en de actieplannen voor introductieroutes naar aanleiding van de uitbreidingen van de Unielijst.
4.6.2 Onderzoeken of het nodig is om een derde pathway als prioritair aan te wijzen. Er tekenen zich andere belangrijke pathways af die ook prioriteit verdienen, zoals de toenemende internationale handel via internet en het binnenlands verslepen van invasieve exoten. Het gaat bij dit laatste om verontreinigingen die door onzorgvuldig of onhygiënisch werken of door versleping van grond, compost, bagger en organisch materiaal worden verspreid. Te denken aan wortelstokken of maaisel
van de Japanse duizendknoop, zaden van reuzenbalsemien, reuzenberenklauw en ambrosia, uitheemse kreeften in bagger of levensvatbare fragmenten van waterplanten met vistuig of via materiaal om te graven, te schonen en/of te maaien.
4.6.3 Voor de prioritaire pathways dierenhandel en sierteelt en tuinbouw wordt een communicatieaanpak ontwikkeld in samenwerking met branchepartijen en andere relevante stakeholders, (mede) gericht op bewustwording. Zie ook maatregel 4.4.2 en 4.4.4.
4.7 Financieringsopgave voor preventie (mensen en middelen)
De eerste ambtelijke verkenning van de kostenindicatie voor het voorgestelde maatregelpakket voor de inzet van LVVN is 8 miljoen euro. Voor de jaren 2025 en 2026 wordt begonnen met een bedrag van circa 1,6 miljoen euro dat hiervoor is gereserveerd in de Voorjaarsbesluitvorming 2025. Met deze middelen worden de genoemde maatregelen voor preventie in gang gezet.

39 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

5 Vroege signalering en snelle eliminatie: als invasieve soorten toch binnenkomen, dan zo snel mogelijk elimineren en vestiging voorkómen
In een vroeg stadium van invasie van soorten van de Unielijst wordt overgegaan tot snelle eliminatie (artikel 17 Exotenverordening). Eliminatie is het op dodelijke of niet-dodelijke wijze verwijderen van de invasieve exoot uit het milieu. Het belang van snelle eliminatie is toegelicht in de contouren. Naast preventie is vroege eliminatie de meest kosteneffectieve maatregel en van cruciaal belang voor het voorkomen en inperken van de bedreigingen van invasieve exoten en de schade daarvan. Daarmee is dit een effectieve en efficiënte strategie. Bovendien kan vroege signalering en snelle eliminatie (op langere termijn) veel dierenleed voorkomen (van zowel de invasieve exoot als inheemse soorten die te lijden hebben onder de aanwezigheid van de invasieve exoot).

Dat vroege eliminatie werkt, blijkt uit het aantal acties waarbij invasieve exoten van de Unielijst met succes volledig uit het Nederlands milieu zijn verwijderd. Het betreft onder meer de beverrat, Amerikaanse stierkikker, huiskraai, treurmaina, smalle theeplant en boomwurger. Hiermee is natuurschade voorkomen en zijn hoge en structurele bestrijdingskosten en herstelkosten van natuur en anderszins op langere termijn vermeden.
In 2019 zagen vrijwilligers geheel onverwacht in de oever van de Middelwetering nabij Leidsche Rijn een plant van de Europese Unielijst staan: de smalle theeplant (Gymnocoronis spilanthoides). In een snelle gezamenlijke actie van de provincie Utrecht, gemeente Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) is de plant met wortel en al uit de oever verwijderd. De provincie heeft hiervoor subsidie gegeven. Bij nacontrole bleek de soort met succes te zijn bestreden. Door deze snelle actie zijn mogelijke uitbreiding met schade en hogere kosten in de toekomst voorkomen.
Bij dit hoofdstuk hoort het overzicht in bijlage 6 van alle Unielijstsoorten die zich op dit moment in een vroeg stadium van introductie bevinden of nog niet in Nederland aanwezig zijn. Op deze soorten is artikel 17 van toepassing en geldt de eliminatieverplichting. In de derde kolom van het overzicht staan de landelijke afspraken vermeld die tussen LVVN en provincies zijn gemaakt over de inzet van de provincies.
Het budget dat voor 2025 en 2026 beschikbaar is wordt ingezet voor de soorten, ambities en doelstellingen die in deze tabel zijn vetgedrukt.
Bijlage 8 bevat een tabel met de 26 Unielijstsoorten die per 7 augustus 2025 op de Unielijst zijn geplaatst.
Van deze soorten is nog niet formeel vastgesteld of deze onder de werking van artikel 17 of artikel 19 vallen.
5.1 Werkzaamheden
De huidige werkzaamheden voor vroege signalering en snelle eliminatie betreffen de soorten van de Unielijst en bestaan uit:
• Surveillance naar de verspreiding van soorten van de Unielijst. Het hebben van een surveillancesysteem, dat gegevens verzamelt en registreert via onder andere onderzoeks- en monitoringsprocedures, volgt uit artikel 14 van de Europese exotenverordening. LVVN draagt zorg dat waarnemingen van met name de invasieve exoten, waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt, worden verzameld en beschikbaar zijn voor de provincies. Deze snelle signalering verloopt onder meer via Waarneming.nl en soortenorganisaties en TBO’s die melding doen bij provincies of NVWA. Het is aan provincies om alert te zijn op deze meldingen. Daarnaast zijn door verschillende partijen ook zelf meldpunten ingericht.
• Bij nieuwe vestiging van een soort van de Unielijst dient Nederland de Europese Commissie hierover in kennis te stellen. Dit gebeurt middels een melding in het Europees systeem NOTSYS door BuRO van de NVWA (artikel 16). De provincies informeren BuRO daarom over de meldingen die direct bij de provincies binnenkomen.
• Het organiseren van het volledig verwijderen van de invasieve exoot uit het milieu; de eliminatie. Zie in paragraaf 5.2 voor de taakverdeling van de invasieve exoten tussen provincies, waterschappen en LVVN. Dit betreft het inschakelen van bestrijders die over de juiste expertise en bestrijdingsmethoden beschikken, waaronder vergunningen voor en toelating van methoden en middelen (gebruik vangmiddelen, vuur wapens, biociden of andere middelen). Hierbij speelt ook de specifieke zorgplicht een belangrijke rol, zodat onnodig lijden van dieren bij doden of vangen wordt voorkomen (artikel 11.27 lid 3 Bal). Vaak is ook andere regelgeving van toepassing en dient toegang tot het terrein verkregen te worden. Dit kan soms complex zijn en de nodige tijd en afstemming met verschillende overheden, terreineigenaren en partijen vergen.
• De provincies kunnen voor bepaalde (schuwe of mobiele) soorten meer inzet op detectie en opsporing en (landelijke) monitoring plegen in het kader van eliminatie en bestrijding. Dit met het oog op het lokaliseren, inzicht in de verspreiding van soorten en de effectiviteit van bestrijding. Deze extra inzet op detectie, opsporing en monitoring kan vorm krijgen door bijvoorbeeld het inrichten van meldpunten of extra tellingen te organiseren.
• Het uitzetten en begeleiden van onderzoek naar effectieve bestrijdingsmethoden. Dit is een gezamenlijke taak en wordt door zowel provincies als LVVN opgepakt afhankelijk van de situatie. Ontwikkeling van kennis en expertise over (nieuwe) invasieve exoten en methoden voor eliminatie en bestrijding is geregeld nodig. Het betreft vaak nieuwe soorten die niet eerder in Nederland voorkwamen, waardoor methoden en middelen vaak nog niet bestaan of bestrijdingscapaciteit nog niet beschikbaar is. Onderzoek naar effectieve en veilige bestrijdingsmethoden, innovaties en ook evaluatie van toegepaste methoden (naar effectiviteit, neveneffecten etc.) vindt momenteel wel plaats, maar nog onvoldoende.
• Nazorg in de vorm van gerichte monitoring van specifieke soorten, zoals de Amerikaanse stierkikker en kleine waterteunisbloem, op de locaties waar deze in het verleden (tegen hoge kosten) uit het Nederlands milieu zijn verwijderd. Deze nazorg is nodig vanwege het risico op herbesmetting. Gebruik van environmental DNA in water, grond of lucht lijkt perspectief te bieden om het eventueel opnieuw voorkomen van deze soort vroeg, nauwkeurig en relatief goedkoop te signaleren.
• Provincies zijn verantwoordelijk voor de effectmonitoring van de maatregelen die door de provincies bekostigd zijn. Deze moeten de provincies ook voor de zesjaarlijkse rapportage aan Brussel in beeld brengen. Provincies willen voor effectmonitoring een uniform systeem ontwikkelen.
• Artikel 18 van de Exotenverordening beschrijft in welke gevallen lidstaten mogen afwijken van de verplichting tot snelle uitroeiing: als de uitroeiing technisch niet uitvoerbaar is, de kosten uitzonderlijk hoog zullen zijn, geen uitroeiingsmethoden beschikbaar zijn of beschikbare methoden zeer ernstige nadelige gevolgen hebben. Voor afwijking van de verplichtingen van artikel 17 dient een wetenschappelijk gefundeerde onderbouwing te worden gemaakt.
5.2 Taakverdeling provincies, waterschappen en LVVN
Op basis van de beschikbare verspreidingsinformatie bepaalt LVVN samen met provincies of een soort die in
Nederland voorkomt, wordt gezien als een soort die zich in een vroeg stadium van introductie bevindt - waarvoor de landelijke doelstelling ‘snelle uitroeiing’ geldt (artikel 17) - of dat de soort moet worden gezien als een reeds gevestigde soort (artikel 19).
Vanuit het natuurbelang ligt de verantwoordelijkheid voor snelle eliminatie in de meeste gevallen bij de provincies (artikel 2.18 Omgevingswet). Het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is in diezelfde lijn ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van uitroeiingsmaatregelen (en beheersmaatregelen, zie Hoofdstuk 6) tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst (en herstelmaatregelen in natuurgebieden, zie Hoofdstuk 7) in 2018 overgedragen aan de provincies. Het provinciaal ambitiedocument bevat een overzicht op pagina 21 t/m 27 van alle soorten van de Unielijst waarvan de verantwoordelijkheid aan de provincies is overgedragen.
De waterschappen bestrijden op dit moment twee invasieve soorten van de Unielijst, namelijk de muskusrat en de beverrat, om schade aan waterstaatswerken te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid is in de Waterschapswet vastgelegd.35 De beverrat is inmiddels sinds 2013 volledig verwijderd uit Nederland en waterschappen zetten in op opsporing en snelle eliminatie van alle nieuwe instroom uit buurlanden. Daarmee valt de beverrat inmiddels weer onder artikel 17. De verantwoordelijkheid tot het nemen van maat regelen voortvloeiend uit de Exotenverordening is voor deze soorten niet overgedragen aan de provincies.
Ook enkele andere Unielijstsoorten heeft LVVN niet aan de provincies overgedragen. Het betreft hier de mariene soorten Fundulus heteroclitus (een brakwater vis), Morone americana (Amerikaanse zeebaars) en Rugulopteryx okamurae (een zeewier) die alleen in Rijkswateren zouden kunnen voorkomen, waar het Rijk belast is met de zorg voor de natuur. En het betreft verschillende uitheemse rivierkreeften en Chinese wolhandkrab die onder de Visserijwet 1963 vallen, en waarvoor in 2016 een vrijstellingsregeling voor bevissing als beheersmaatregel is ingesteld. De mariene soorten en sommige uitheemse rivierkreeftsoorten zijn nog niet in Nederland gevestigd en vallen onder artikel 17. Indien deze soorten in de toekomst in Nederland gesignaleerd worden, dan is het aan LVVN om vanuit het natuurbelang, landbouwbelang of visserijbelang hiervoor maatregelen te treffen.
5.3 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van vroege signalering en snelle eliminatie
• Onder de Exotenverordening beperkt de verplichting tot vroege eliminatie zich tot soorten van de
Unielijst die zich in een vroeg stadium van introductie bevinden. Plaatsing van een invasieve exoot op de Unielijst is een proces dat jaren kan duren en de uitkomst van een Europees besluitvormingsproces is altijd onzeker. En soms wordt Nederland geconfronteerd met Europese soorten die niet op de Europese Unielijst kunnen worden geplaatst, terwijl deze voor Nederland wel uitheems en invasief zijn. Invasieve exoten die (nog) niet op de Unielijst staan en een gevaar vormen voor de Nederlandse biodiversiteit worden hierdoor momenteel niet systematisch geëlimineerd. Dit betekent dat sommige ‘nieuwe’ invasieve exoten zich ongestoord kunnen vestigen en zich ongebreideld kunnen verspreiden in Nederland met alle ongewenste gevolgen van dien. Vroege eliminatie van invasieve exoten die niet op de Unielijst staan, is een korte termijn investering die vooral op lange termijn heel veel extra kosten (van schade en bestrijding in later stadium) gaat besparen.
• Bij de keuze van invasieve exoten die (nog) niet op de Unielijst staat en die voor vroege eliminatie in aanmerking komen moet worden geprioriteerd. LVVN hanteert daarbij een aantal uitgangspunten:

  • Risicoadviezen en signaaladviezen van BuRO zijn leidend bij het bepalen welke soorten voor systematische vroege eliminatie in aanmerking komen.
  • LVVN richt zich op invasieve uitheemse soorten die schadelijk zijn voor de biodiversiteit en andere terreinen die onder de verantwoordelijkheid van LVVN vallen. Invasieve exoten die voor andere terreinen schadelijk zijn kunnen per geval worden geagendeerd in het interdepartementaal coördinatieoverleg, waar LVVN naast IenW, VWS en VRO aan deelneemt.
    • Indien signalen uit het veld – van terreinbeheerders, soortenorganisaties of van derden – daartoe aanleiding geven, kan ad hoc snelle eliminatie worden overwogen. Rol- en taakverdeling worden per geval bepaald. Terreinbeherende organisaties (TBO’s) en provincies zijn momenteel al alert op ontwikkelingen in het veld en verwijderen op eigen initiatief, vrijwillig, invasieve exoten (met name planten) uit hun gebieden.
    • Verbeteren van inzicht in actuele verspreiding en aanwezigheid van invasieve exoten in het milieu:
  • Provincies geven aan dat meldpunten nodig zijn ten behoeve van opsporing en detectie van mobiele soorten. Provincies hebben ook behoefte aan meer achtergrondinformatie van meldingen zodat de soort beter opgespoord kan worden.
  • Actuele informatie over de opvang van mobiele invasieve dieren door opvangcentra (waaronder wasberen) is van belang voor provincies om een compleet en actueel beeld van de (al dan niet) aanwezigheid van gevangen exemplaren uit het milieu.
  • Het opschonen van systemen, zodat niet nodeloos gezocht wordt naar soorten die al volledig uit het milieu verwijderd zijn. Dit is tevens van belang voor de zes jaarlijkse EU-rapportage, waarbij lidstaten accurate verspreidingskaarten dienen op te leveren.
    • Provincies en LVVN kunnen zich beter voorbereiden op vroege eliminatie van nieuwe invasieve exoten, zodat sneller doorgepakt kan worden als de soort in het milieu wordt ontdekt. Er gaat soms nog veel tijd verloren tussen het moment dat een nieuwe invasieve exoot wordt gemeld en de daadwerkelijke eliminatie. Het organiseren van de bestrijding, waaronder het verkrijgen van een Omgevingsvergunning, maatwerkvoorschriften en andere (juridische) stappen vertraagt de vroege eliminatie. Dit betekent dat er meer kans is dat dat de soort zich in die tijd kan vestigen en verspreiden en eliminatie na alle voorbereidingen soms al niet meer realistisch is.
    • De Exotenverordening biedt de mogelijkheid om te kiezen voor het dodelijk of niet-dodelijk verwijderen van invasieve exoten uit het milieu. Vanuit het exotenbeleid is geen geld beschikbaar voor de opvang van invasieve exoten (tijdelijke inbeslagname daargelaten). Opvangcentra met een speciaal maatwerkvoorschrift mogen onder specifieke voorwaarden invasieve exoten opvangen. Het welzijn van het dier dient daarbij in acht genomen te worden. Dit maakt langdurige opvang van (grote aantallen) invasieve exoten op diervriendelijke en adequate wijze zeer kostbaar en praktisch onuitvoerbaar. Het uitzetten van dieren is verboden, evenals het vrijlaten van invasieve exoten van de Unielijst. De keuze voor het doden van deze invasieve uitheemse dieren is in de meeste gevallen de minst dieronvriendelijke methode.
    • Vanuit het veld, provincies, waterschappen, TBO’s en andere organisaties die zich met bestrijding bezig houden, is behoefte aan duidelijkheid over toegestane bestrijdingsmiddelen, strategieën en dodingsmethoden.
    Relevante aanbevelingen uit evaluatie:

Aanbeveling 3) Controleer plannen voor aanpak artikel 17 soorten: check alle provinciale plannen voor de aanpak van artikel 17 soorten (snelle uitroeiing in vroeg stadium van invasie) en beoordeel of met (de bundeling van) deze plannen (landelijk overzicht) aan Europese doelen voldaan wordt.

Aanbeveling 5) Periodiek overleg over voortgang en resultaten: initieer en stimuleer gezamenlijk, strategisch overleg tussen provincies, waterschappen, LNV over voortgang en resultaten in relatie tot Europese eisen.

Aanbeveling 10) Succesfactoren inzichtelijk maken en delen: stimuleer en vergroot (binnen de huidige interprovinciale werkgroep ‘invasieve exoten’) de samenwerking tussen provincies onderling en tussen provincies en terreinbeherende organisaties door succesfactoren zichtbaar te maken en te delen (ook door verdere clustering voor soorten/soortgroepen). Activeer de provincies die achter liggen met hun beleid en uitvoering.

5.4 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van vroege signalering en snelle eliminatie
Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van vroege signalering en snelle eliminatie komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
5.4.1 Financiering van snelle eliminatie van alle Unielijstsoorten met een eliminatiedoelstelling. Deze soorten zijn door de provincies in het provinciaal ambitiedocument opgenomen. LVVN maakt circa 7,3 miljoen euro vrij voor de provincies voor het verwijderen uit het milieu van soorten met een eliminatiedoelstelling. Hiertoe zijn in aanvulling op het provinciaal ambitiedocument landelijke afspraken gemaakt met de provincies. Een overzicht van deze landelijke afspraken staat in bijlages 6, 7 en 9. De provincies spannen zich in en committeren zich de beschikbare middelen (circa 7,3 miljoen euro) met voorrang in te zetten voor de doelstellingen en landelijke afspraken van de soorten in de tabel met vetgedrukte tekst.
5.4.2 Provincies maken voor een aantal lastige soorten van de Unielijst die nog niet in Nederland voorkomen plannen van aanpak en draaiboeken. Door vooraf alles juridisch te regelen en voor te bereiden, kunnen de provincies direct met snelle eliminatie aan de slag als nieuwe invasieve exoten zich in de toekomst openbaren.
5.4.3 Organiseren van vroege eliminatie van invasieve exoten die (nog) niet op de Unielijst staan en een gevaar vormen voor de Nederlandse biodiversiteit. Hiervoor wordt in samenspraak met BuRO, de provincies en TBO’s een lijst van te bestrijden invasieve exoten opgesteld.
Nieuwe invasieve exoten (schadelijk voor biodiversiteit) die voor vroege eliminatie in aanmerking komen: geaderde stekelhoorn (Rapana venosa) en een invasief mosdiertje (Biflustra grandicella) in de Zeeuwse Delta, gele bieslelie en Chinese vijvermossel in de Maas.
5.4.4 Meer inzet op innovatieve methoden voor snelle signalering en opsporing van invasieve exoten voor doelgerichte inzet van bestrijdingscapaciteit bij eliminatie. Hierbij kan gedacht worden aan het verkennen van inzet van o.a.
• environmental DNA (eDNA) uit water, bodem en lucht
• bio-akoestiek voor o.a. muntjak, klauwkikker en stierkikker (werken met geluidsopnamen)
• slimme cameravallen
• drones eventueel in combinatie met andere remote sensing
• geautomatiseerde gegevensverwerking
• tagging met zenders
5.4.5 Uitrol van een gebruiksvriendelijk meldingssysteem voor sommige mobiele soorten. De wens van provincies om het meldpunt wasberen landelijk op te schalen en ook voor de andere zoogdieren op te richten.
Nieuwe systemen dienen ook aan het NDFF gekoppeld te worden. De validatie moet goed geregeld zijn evenals terugmelding in het meldingssysteem zodra een exemplaar verwijderd is, zodat actieve opsporing na verwijdering kan worden gestaakt.
Tevens organiseren dat datasystemen indien nodig na succesvolle eliminatie worden opgeschoond, zodat verspreidingskaarten accuraat blijven. Dit kost tijd en geld om te organiseren, maar zorgt op termijn voor efficiëntie.
5.4.6 Inzet op onderzoek naar en ontwikkeling van effectieve en innovatieve bestrijdingsmethoden. Gezamenlijk door provincies en LVVN.
5.4.7 Opstellen van een gezamenlijke onderzoeksagenda gericht op de ontwikkeling en validatie van bestrijdingsmethoden en strategieën, impact van methoden en effecten op dierenwelzijn, milieu, maatschappelijke draagvlak e.d.
5.4.8 Gezamenlijk organiseren van vroege eliminatie van (‘nieuwe andere’) invasieve exoten die voor andere beleidsterreinen, anders dan biodiversiteit, schadelijk zijn. ‘Andere nieuwe’ exoten zullen, indien een andere maatschappelijke schade dan natuurschade wordt verwacht, door LVVN worden voorgedragen ter bespreking door het interdepartementaal coördinatieoverleg plaagsoortbeheersing. Wanneer vroege eliminatie (naast mogelijk andere maatregelen) nodig wordt geacht, wordt de financiering daarvan in een separaat traject tussen de vier ministeries (en mogelijk met
andere overheden zoals gemeenten, provincies of waterschappen) afgesproken. LVVN kan ervoor kiezen om het LVVN-aandeel van dergelijke cofinanciering uit het budget voor dit aanvalsplan te halen.
5.4.9 Inzet van mensen van provincies en LVVN ten behoeve van:
• betere afstemming en (regionale en grensoverstijgende) samenwerking van provincies in de preventie en aanpak van invasieve exoten;
• de regierol van provincies richting hun gebiedspartners;
• het gezamenlijk (financieel en juridisch) organiseren van bestrijding door provincies. Zie bijlage 9 voor meer toelichting op deze generieke landelijke (werk-)afspraken die ondersteunend zijn aan vroege signalering en snelle eliminatie.
5.5 Kosten van huidige inzet van mensen en middelen voor vroege signalering en snelle eliminatie
De kosten die provincies voor vroege signalering en snelle eliminatie maken zijn niet eenduidig vast te stellen. De provincies hebben momenteel geen (of nauwelijks) geoormerkte middelen voor vroege signalering en snelle eliminatie. De provincies financieren deze werkzaamheden uit de middelen beschikbaar onder het Natuurpact en programma Natuur en eigen middelen uit provinciale begrotingen. Zie ook aanbevelingen 12, 13 en 14 in paragraaf 2.5.
De kosten van alle provincies voor de complete aanpak van invasieve exoten bedroegen opgeteld naar schatting minimaal 40 miljoen euro in de periode 2018-2023. Specifiek voor vroege signalering en snelle eliminatie was dit enkele tonnen (indicatief).
Vanuit LVVN is eenmalig een pilot ‘bestrijding termieten’ gefinancierd, vooruitlopend op besluitvorming van het toen nog op te richten interdepartementaal coördinatieoverleg en om kennis over bestrijdingsmethoden op te doen.
5.6 Financieringsopgave voor vroege signalering en snelle eliminatie (mensen en middelen)
In het provinciaal ambitiedocument zijn de kosten voor eliminatie van soorten met een eliminatiedoelstelling en de kosten voor beheersmaatregelen tegen invasieve exoten in natuurgebieden gezamenlijk opgevoerd. Dit betekent dat deze kosten in het ambitiedocument niet van elkaar te onderscheiden zijn. Tussen LVVN en de provincies zijn aanvullend op het ambitiedocument landelijke afspraken gemaakt over de inzet van de beschikbare middelen voor 2025 en 2026. Daarbij zijn de kosten voor vroege signalering en eliminatie van soorten met een eliminatiedoelstelling ingeschat op circa 7,3 miljoen euro.
Met deze middelen geven de provincies opvolging aan de overeengekomen landelijke afspraken zoals (in vetgedrukte tekst) beschreven in het overzicht in bijlagen 6 en 7. Bijlage 9 bevat een aantal generieke landelijke (werk-)afspraken die zijn gemaakt tussen LVVN en provincies en die ook van toepassing zijn op vroege signalering en eliminatie. Het beschikbare geld wordt met voorrang op deze doelstellingen ingezet. Indien provincies middelen overhouden kunnen deze ook worden besteed aan de overige landelijke afspraken en meest prioritaire doelstellingen van het provinciaal ambitiedocument.

6 Beheersing: als een invasieve soort zich toch vestigt, dan proberen de verdere verspreiding en de schadelijke effecten tegen te gaan
De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen indien zorgwekkende invasieve soorten van de Unielijst zich hebben gevestigd en wijdverspreid zijn (artikel 19 Exotenverordening). De soorten bevinden zich dan in het oranje blokje van de invasiecurve. Vanuit hun opgave voor de natuur treffen provincies in natuurgebieden ook beheersmaatregelen tegen enkele andere invasieve exoten die schadelijk zijn voor de biodiversiteit in die gebieden.

De Exotenverordening definieert beheersmaatregelen als “dodelijke of niet-dodelijke op de populatie van een invasieve uitheemse soort toegepaste maatregelen, waarbij tegelijkertijd de gevolgen voor niet doel soorten en hun habitats tot een minimum worden beperkt. Het doel is om het aantal exemplaren van de populatie van een invasieve uitheemse soort zo laag mogelijk te houden zodat — hoewel de soort niet kan worden uitgeroeid — de invasieve capaciteiten en de negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, de aanverwante ecosysteemdiensten, voor de menselijke gezondheid of de economie tot een minimum worden beperkt”. De Exotenverordening biedt lidstaten veel beleidsruimte om te bepalen welke maatregelen passend zijn tegen de wijdverspreide soorten van de Unielijst in hun land (zie kader). Lidstaten beslissen over hun inzet op basis van kosten-batenanalyses en mogen daarbij prioriteren.
Artikel 19 Exotenverordening:

“Deze beheersmaatregelen zijn evenredig met de gevolgen voor het milieu en afgestemd op de specifieke omstandigheden van de lidstaten, zijn gebaseerd op een kosten-batenanalyse en omvatten tevens, voor zover haalbaar, de in artikel 20 bedoelde herstelmaatregelen. Zij worden op basis van de risico-evaluatie en hun kosteneffectiviteit naar prioriteit gerangschikt.”
Bij het treffen van beheersmaatregelen is altijd sprake van maatwerk. Daarnaast zijn het hebben van handelings perspectief en proportionaliteit van invloed op de keuze van te treffen beheersmaatregelen. Bij dieren moet rekening worden gehouden met de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 lid 3 Bal), zodat onnodig lijden van dieren bij doden of vangen wordt voorkomen. Zie voor meer toelichting op de termen maatwerk, handelingsperspectief en proportionaliteit de contouren.
Het Rijk en provincies stellen bij de beheersing van invasieve exoten prioriteiten. Provincies leggen de prioriteit bij bescherming van de inheemse biodiversiteit. In de praktijk betekent dit dat de beheersmaatregelen die in Nederland worden getroffen kunnen variëren van een minimale inzet tot volledige eliminatie van een populatie. Voor een aantal reeds gevestigde en wijdverspreide soorten van de Unielijst (artikel 19 soorten) is de ambitie volledige eliminatie, omdat eliminatie nog haalbaar is en op lange termijn de meest kostenefficiënte aanpak is. Het volledig verwijderen van een populatie uit het milieu is een investering die vooral op lange termijn heel veel extra kosten van schade en bestrijding en in het geval van dieren ook dierenleed kan besparen.
6.1 Werkzaamheden
Voorgaande betekent dat lidstaten een breed scala aan mogelijke beheersmaatregelen kunnen inzetten. Dit kan, binnen de kaders van de regelgeving, variëren van mechanische, biologische tot chemische bestrijding wat op allerlei manieren kan plaatsvinden. Te denken valt aan het uittrekken, afgraven of afdekken van planten, het afschieten of wegvangen van dieren. Ook kan het gaan om het treffen van lokale preventieve maatregelen om besmettingen af te schermen en verdere verspreiding te voorkomen (indamming) of juist de insleep naar een nog schoon gebied te voorkomen. Maar ook ecosysteembeheer is mogelijk, waarbij op het ecosysteem zelf wordt ingegrepen en dit weerbaarder wordt gemaakt. Bijvoorbeeld door aanplant van dominante inheemse planten of het aanpassen van oevers, waardoor sommige invasieve exoten in enige mate worden ingedamd.
Bij de keuze voor de uiteenlopende methoden en type beheersmaatregelen die lidstaten kunnen nemen, is dus variatie mogelijk in het ambitie- en inspanningsniveau van die maatregelen. Zo kunnen lidstaten bij invasieve exoten waarvoor geen handelingsperspectief bestaat (lees: waarvoor geen effectieve bestrijdingsmethoden bestaan), zich beperken tot voorlichting en het verstrekken van informatie over de betreffende invasieve exoot teneinde de gevolgen van die soort tot een minimum te beperken. In andere gevallen kan een lidstaat besluiten om alsnog volledige eliminatie van een invasieve exoot na te streven, indien dit ondanks de vestiging en verspreiding van de soort toch nog haalbaar en betaalbaar blijkt te zijn.
De provincies werken samen met gebiedspartners zoals terreinbeherende organisaties (TBO's), wildbeheereenheden (WBE's) en andere organisaties die met subsidie of in opdracht van de provincies bestrijdings- en beheersmaatregelen treffen en die daarbij vaak ook geholpen worden door de vele vrijwilligers die zich, goed geïnformeerd of onder deskundige begeleiding, inzetten voor behoud van onze natuur.
Bij het treffen van beheersmaatregelen is het van belang dat naast een goede voorbereiding (effectiviteitsstudies van methoden, draaiboeken, opsporing en detectie) en afspraken over de uitvoering van werkzaamheden ook (soms langdurige) nazorg ná bestrijding en monitoring van effecten plaatsvindt. Verder zal er afstemming en samenwerking nodig zijn met relevante (gebieds- en uitvoerende) partijen en medeoverheden over hun inzet en medewerking. Het gaat er met name om dat overheden en marktpartijen het zorgvuldig werken in de eigen werkzaamheden en processen integreren om verdere verspreiding in Nederland te voorkomen. En het betreft het juridisch op orde brengen van opdrachten, gedoog beschikkingen, vergunningen e.d. voor toegang en bestrijding op terreinen en met inzet van middelen.
6.2 Taakverdeling provincies, waterschappen en LVVN
De verantwoordelijkheid voor het treffen van beheersmaatregelen ligt in de meeste gevallen bij de provincies. Het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerking treding van de Exotenverordening is in diezelfde lijn ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst (en herstelmaatregelen in natuurgebieden, zie H8) in 2018 overgedragen aan de provincies. Ook bij de latere uitbreidingen van de Europese Unielijst is deze verantwoordelijkheid voor de meeste Unielijstsoorten aan de provincies overgedragen. Het ambitiedocument van de provincies bevat een overzicht op pagina 21 t/m 27 van alle soorten van de Unielijst waarvan de verantwoordelijkheid aan de provincies is overgedragen. Provincies leggen (ook om redenen van proportionaliteit) bij het treffen van beheersmaatregelen tegen invasieve exoten nadruk op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.
De waterschappen bestrijden op dit moment twee invasieve soorten van de Unielijst, namelijk de muskusrat en de beverrat, om schade aan waterstaatswerken te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid is in de Waterschapswet vastgelegd. De muskusrat is nog wijdverspreid in Nederland. Toch hanteren de waterschappen een eliminatiedoelstelling voor de muskusrat. Na decennia van hoge bestrijdings inspanning is er afname van circa 400.000 jaarlijkse vangsten in het verleden naar 65.000 jaarlijkse vangsten. Mede dankzij nieuwe methoden, zoals inzet van environmental DNA (eDNA), is volledige opsporing en eliminatie van muskusratten in Nederland mogelijk. Tegelijk wordt ingezet op vroege signalering en snelle eliminatie van nieuwe instroom van muskusratten uit buurlanden.
Een aantal Unielijstsoorten heeft LVVN om verschillende redenen niet aan de provincies overgedragen. Het is aan LVVN om tegen deze soorten beheersmaatregelen te treffen. Van deze soorten vallen de uitheemse rivierkreeften en de Chinese wolhandkrab onder artikel 19, omdat deze in Nederland wijdverspreid zijn (en dat ook al waren ten tijde dat deze op de Unielijst werden geplaatst). Voor deze soorten treft LVVN de volgende beheersmaatregelen:
• In het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) zoeken de gecommitteerde partijen naar een kosteneffectieve beheersingsaanpak. Zie voor toelichting op het OBUR en de betrokken partijen paragraaf 6.3.
• Voor de Chinese wolhandkrab en uitheemse rivierkreeften is een vrijstelling voor bevissing geregeld als beheersmaatregel.
6.3 Beheersmaatregelen tegen uitheemse rivierkreeften
LVVN is in 2016 na plaatsing van uitheemse rivierkreeften op de Unielijst verantwoordelijk gebleven voor het treffen van beheersmaatregelen tegen uitheemse rivierkreeften. LVVN heeft ingezet op het mogelijk maken van bevissen en in de handel brengen van uitheemse rivierkreeften door beroepsvissers (daarnaast mogen sportvissers met een VISpas alleen vissen met een hengel voor eigen consumptie). Dit is gedaan door een vrijstellingsregeling onder de Wet Natuurbescherming (nu Omgevingswet). Volgens de Europese Commissie mag beroepsvisserij als beheersmaatregel ingezet worden omdat de uitheemse rivierkreeften wijdverspreid zijn.
LVVN heeft de preventieve maatregelen vormgegeven door voorlichting van het publiek via de websites van RVO en NVWA over de (visserij)regels en achtergrondinformatie over uitheemse rivierkreeften. De NVWA ziet toe op de handel in uitheemse rivierkreeften. Vanaf 2021 heeft LVVN een Programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeft (OBUR) opgestart, waaraan het ministerie van I&W, Unie van Waterschappen, Interprovinciaal Overleg, Vereniging Nederlandse Gemeenten en RBO Rijn-West, NetViswerk, VBNE, Sportvisserij Nederland en LTO zich gecommitteerd hebben. Het programma OBUR heeft als doel om gezamenlijk tot een kosteneffectieve beheersingsaanpak te komen. Partners dragen bij aan het programma via onderzoek, personele capaciteit en met financiën. Er is geen centrale financiering geregeld, bekostiging van activiteiten wordt op ad hoc basis door de partners van het programma OBUR georganiseerd.
Het programma bevat drie hoofdlijnen waar uiteenlopende acties onder vallen:

  1. Preventie van introductie in nieuwe/schone gebieden. Onder deze hoofdlijn valt communicatie, handhaving en toezicht op handel. Daarnaast is binnen het programma een richtlijn ontwikkeld voor zorgvuldig handelen bij de uitvoering van werkzaamheden, ter voorkoming van verspreiding van invasieve exoten.
  2. Mogelijk maken van vangen van uitheemse rivierkreeften door overheden. Hiervoor is juridisch onderzoek en onderzoek naar selectieve vistuigen uitgezet. Voor overheden wordt het mogelijk gemaakt om met selectieve vistuigen uitheemse rivierkreeften te vangen door de visserijregelgeving aan te passen.
  3. Verkennen van de invloed van verhogen van de systeemweerbaarheid, wat door enkele overheden momenteel onderzocht wordt.
    Daarnaast wordt, ter ondersteuning van de drie hoofdlijnen, gewerkt aan:
    • Ontwikkeling van een afwegingskader waarmee provincies, waterschappen, gemeenten, IenW/ Rijkswaterstaat en particulieren ieder vanuit de eigen taken en bevoegdheden kunnen bepalen waar ze wel en waar niet maatregelen in zetten en als ze maatregelen inzetten, welke dat dan zijn. Eind 2025 zal de eerste versie van het afwegingskader worden opgeleverd.
    • Kennisontwikkeling en kennisdeling middels een gezamenlijke onderzoeksagenda. De onderzoeksagenda wordt momenteel geactualiseerd om het onderzoek beter aan te sluiten op de ontwikkeling van het afwegingskader.
    • Opheldering van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de betrokken overheden met betrekking tot beheersmaatregelen en daaraan gekoppelde uitvoering en financiering. Hiertoe is een juridische studie uitgevoerd. Momenteel onderzoeken overheden gezamenlijk verschillende mogelijkheden om het vangen van uitheemse rivierkreeften effectief te organiseren.
    6.4 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van beheersing
    Relevante aanbevelingen uit evaluatie:

Aanbeveling 4) Benoem gezamenlijk ambitieniveau voor aanpak artikel 19 soorten: benoem (provincies gezamenlijk; in afstemming met het ministerie van LNV) per artikel 19 soort wat het gezamenlijk ambitieniveau moet zijn voor beheersing. En vertaal deze uitkomst naar de afzonderlijke provinciale plannen.

Aanbeveling 9) Verantwoordelijkheid aanpak invasieve waterplanten: onderzoek en benoem per provincie en betrokken waterschap(pen) welke partij voor welke soort(en) (voor wat betreft invasieve waterplanten) de verantwoordelijkheid draagt voor de aanpak (bestrijding danwel beheersing) ervan.

Aanbeveling 11) Onderzoek benodigd aantal FTE in relatie totale omvang van opgave: onderzoek de inhoud en reikwijdte van de totale opgave per provincie en vertaal dit naar het aantal FTE dat nodig is om deze opgave aan te pakken.

Aanbeveling 13) Inzicht in kostenontwikkeling: provincies moeten inzichtelijk maken wat, sinds 2018, hun kostenontwikkeling voor de aanpak van invasieve exoten is geweest (conform eerdere afspraak).

Aanbeveling 14) Totale opgave en geoormerkt, structureel budget: laat provincies de inhoud en reikwijdte van de totale opgave voor Artikel 17 en 19 soorten per provincie onderzoeken en vertalen naar een geoormerkt, structureel budget voor de aanpak van invasieve exoten.
Provincies hebben opvolging gegeven aan deze aanbevelingen door in het provinciaal ambitiedocument een inschatting te maken van het benodigd aantal FTE in relatie tot de totale omvang van hun opgave (aanbeveling 11). Tevens hebben de provincies inzicht gegeven in de kostenontwikkeling voor de periode 2018-2023 (aanbeveling 13) en op verzoek van het ministerie van LVVN wordt vooruitlopend op de volgende driejaarlijkse rapportage inzicht verschaft in de kosten van de provincies voor de aanpak van invasieve exoten in 2024. Het ambitieniveau, de inhoud en reikwijdte van de totale opgave van de provincies voor (vroege eliminatie en) te treffen beheersmaatregelen tegen wijdverspreide invasieve exoten is in het provinciaal ambitiedocument benoemd (aanbeveling 4 en 14). In afstemming met de provincies en water schappen heeft LVVN aanvullende landelijke afspraken gemaakt ten aanzien van een aantal wijdverspreide soorten. Deze afspraken staan in bijlage 7. Het is aan provincies en waterschappen om met elkaar afspraken te maken over de verantwoordelijkheden genoemd in aanbeveling 9. Bijlage 9 bevat een aantal generieke landelijke (werk-)afspraken die zijn gemaakt tussen LVVN en provincies en die ook van toepassing zijn op beheersmaatregelen.
Besluitvorming over de financiering van de door de provincies ingeschatte middelen dient nog plaats te vinden. Verbeterpunten ten aanzien van uitheemse rivierkreeften worden binnen het programma OBUR (zie paragraaf 6.3) opgepakt en worden verder niet in dit aanvalsplan behandeld.
6.5 Aanvullende maatregel ter ontwikkeling en versteviging van beheersing.
Met de volgende aanvullende maatregel ter ontwikkeling en versteviging van beheersing komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
6.5.1 Waar mogelijk het aanpassen van wet- en regelgeving voor die situaties waar juridische knelpunten worden geïdentificeerd die effectieve beheersmaatregelen verhinderen; LVVN spant zich in voor een ministeriële regeling met een lijst van aangewezen soorten waarbij jagers in heel Nederland toestemming krijgen om op hun jachtveld deze invasieve exoten te schieten (onder artikel 11.75, lid 1 onder c van het Bal). De uitvoering kan hiermee worden vereenvoudigd, administratieve lasten verminderd en de vergunningsvoorwaarden voor uitvoerders landelijk uniform worden gemaakt.
6.6 Gevestigde en wijdverspreide Unielijstsoorten waartegen beheersmaatregelen getroffen worden (artikel 19) onder voorbehoud van financiering
De beheersmaatregelen tegen invasieve exoten worden veelal integraal meegenomen bij herinrichting en herstelmaatregelen in natuurgebieden. De provincies hebben de afgelopen zes jaar circa 40 miljoen euro aan hun exotenaanpak uitgegeven vanuit gelden van het Natuurpact, programma Natuur en eigen middelen.
In het overzicht in bijlage 7 staat vermeld welke soorten van de Unielijst gevestigd en wijdverspreid zijn en waartegen lidstaten beheersmaatregelen dienen te treffen (artikel 19). In de derde kolom van het overzicht staan de landelijke afspraken vermeld die tussen LVVN en provincies zijn gemaakt over de voorgestelde inzet van de provincies onder voorbehoud van financiering (indicatief bedrag van 168 miljoen euro, zie provinciaal ambitiedocument). In bijlage 9 staan tevens een aantal generieke landelijke (werk-)afspraken vermeld die tussen LVVN en provincies zijn gemaakt die betrekking hebben op beheersmaatregelen.
Het budget van circa 7,3 miljoen euro dat voor 2025 en 2026 beschikbaar is wordt ingezet op de soorten, ambities en doelstellingen in de kolom ‘landelijke afspraken’ die vetgedrukt zijn. Dit zijn gevestigde en wijdverspreide soorten waarvan eliminatie toch nog haalbaar lijkt. Voor de overige landelijke afspraken is geen extra financiering vrijgemaakt of geoormerkt, en is het de vraag of dit uit andere natuurgelden (Natuurpact of programma Natuur of anderszins) gefinancierd kan worden.

55 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

7 Herstel: herstel van de schade aan ecosystemen
De Exotenverordening schrijft lidstaten voor passende maatregelen te nemen om het herstel van door Unielijstsoorten beschadigde ecosystemen te bevorderen (artikel 20). Het gaat daarbij om maatregelen die een verstoord ecosysteem beter in staat stellen de gevolgen van verstoringen door de aanwezigheid van Unielijstsoorten het hoofd te bieden, te absorberen, zich eraan aan te passen of ervan te herstellen.
Het gaat hier in de eerste plaats om het herstellen van de beschadigde inheemse natuur nadat maatregelen zijn getroffen (eliminatie of beheersmaatregelen). Vervolgens is het zaak dat de herstelmaatregelen een nieuwe invasie na eerder getroffen maatregelen helpen voorkomen. Dan werkt herstel tevens preventief, bijvoorbeeld door aanplant van (dominante) inheemse plantsoorten die invasieve plantsoorten in enige mate kunnen onderdrukken. In het provinciaal ambitiedocument hebben de provincies de kosten voor herstelmaatregelen, daar waar deze direct samenhangen met eliminatie of beheersmaatregelen, in de begroting meegenomen.

Door de decentralisatie van het natuurbeleid staan de provincies aan de lat voor herstelmaatregelen.
Het biodiversiteitsbelang ligt vooral, maar niet uitsluitend, in Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. De provincies leggen daarom (ook om redenen van proportionaliteit) de nadruk op deze natuurgebieden waar het herstelmaatregelen betreft. Het herstellen en versterken van het ecosysteem kan vorm krijgen door natuurgebieden op een dusdanige wijze aan te passen of (her) in te richten dat de invasieve exoot onderdrukt wordt door inheemse soorten en op deze wijze een beperkte invloed heeft op het inheemse ecosysteem.
Herstel van schade aan ecosystemen is ook van belang wanneer de natuur door allerlei andere drukfactoren minder weerbaar is tegen invasieve exoten. Zo kunnen als gevolg van klimaatverandering niches in de natuur ontstaan die kwetsbaarder zijn voor vestiging van invasieve exoten. Niches zijn ‘open plekken’ in de ecologie; inheemse plant- en diersoorten die lokaal uitsterven of noordelijker migreren door weers extremen of door andere gevolgen van klimaatverandering (verdroging, verzilting, verdwijnen van voedsel bronnen etc.). Hierdoor ontstaat ruimte waar (invasieve) exoten vanwege hun aard zich gemakkelijk kunnen vestigen.
Ook in nieuw aangelegde natuurgebieden is het van belang om vanuit preventief oogpunt te zorgen dat deze niet braakliggend (kaal) worden opgeleverd. Deze gebieden maken een meer weerbare start als (dominante) inheemse plantsoorten zijn aangeplant, waardoor minder overlast optreedt met plantenexoten in de toekomst. En er zijn andere natuurherstelmaatregelen waarmee rekening gehouden kan worden bij de inrichting van gebieden, om voorafgaand aan invasies toe te passen.
Herstel via andere beleidslijnen en programma’s
Het generiek herstellen en versterken van ecosystemen en biodiversiteit is via andere beleidslijnen en programma’s belegd dan het exotenbeleid en dient meer doelen dan de aanpak van invasieve exoten alleen. Denk hierbij onder andere aan de herstelmaatregelen en beheer in de Natura 2000-gebieden, de natuurherstelmaatregelen die in het kader van Programma Natuur worden getroffen (waarbij bij beide de Vogel- en Habitatrichtlijn centraal staat), maatregelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), het realiseren van groenblauwe dooradering in het kader van het Aanvalsplan Landschap en de uitwerking van het Natuurherstelplan in het kader van de Natuurherstelverordening. Ook zijn er een aantal koploperprojecten vanuit het voormalig Nationaal Programma Landelijk Gebied gericht op de aanpak van specifieke invasieve exoten in een aantal gebieden.
Al deze gelden worden ingezet voor ecosysteemherstel en –versterking waarbij in de betreffende natuurgebieden, zo nodig, tevens de invasieve exoten worden aangepakt die dat herstel in de weg staan. Een sterkere natuur maakt deze tevens meer weerbaar tegen invasieve exoten. Het gaat hier dus om het integraal meenemen van invasieve exoten bij natuurmaatregelen en om bestrijding en beheersmaatregelen achteraf als een invasieve exoot al in een natuurgebied voorkomt.
Het generiek optimaliseren en weerbaar maken van ecosystemen tegen invasieve exoten is in dit aanvalsplan niet verder uitgewerkt en is met name gekoppeld aan bovengenoemde beleidstrajecten.
7.1 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van herstel
Provincies bekostigden tot op heden het exotenbeleid, waaronder herstel dat direct samenhangt met eliminatie en beheersmaatregelen, volledig met middelen vanuit het Natuurpact, het programma Natuur, andere natuurgelden en eventuele eigen middelen die binnen een provincie beschikbaar zijn. Voor aanpak van invasieve exoten die sinds 2018 aanvullend aan de Unielijst zijn toegevoegd en waarvoor de provincies bevoegd gezag zijn, zijn niet eerder aanvullende middelen beschikbaar gemaakt.
Dit betekent dat voor herstelmaatregelen die direct samenhangen met eliminatie of beheersmaatregelen geen structureel of geoormerkt budget beschikbaar is. De consequentie hiervan is dat de noodzakelijke herstelmaatregelen en langjarige nazorg niet altijd kan plaatsvinden. Dit vergroot het risico dat hardnekkige invasieve exoten die veel nazorg vergen toch weer kunnen opduiken en de overhand krijgen. Zie ook aanbeveling 14 van de evaluatie in paragraaf 2.5.
7.2 Financieringsopgave voor herstel
In het provinciaal ambitiedocument zijn kosten voor herstelmaatregelen begroot, maar uitsluitend waar deze direct samenhangen met eliminatie of bestrijdingsmaatregelen. Dit type herstelmaatregelen maakt onderdeel uit van de bestrijdingsmaatregelen die getroffen worden om invasieve exoten te elimineren of beheersen in een gebied. Deze kosten zijn daarom integraal meegenomen in de kosteninschatting van het onderdeel ‘bestrijdingsmaatregelen’ in de begroting van het provinciaal ambitiedocument.
LVVN heeft middelen vrijgemaakt om een eerste stap te maken ten behoeve van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De focus ligt daarbij vooralsnog op preventie en vroegtijdige eliminatie van invasieve exoten. Besluitvorming over de financiering van de door de provincies ingeschatte middelen voor herstelmaatregelen (die direct samenhangen met eliminatie of beheersmaatregelen) dient nog plaats te vinden. Eventuele besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet. 

8 Acceptatie: als voorgaande stappen niet mogelijk zijn of niet lukken dan resteert accepteren en ermee leren omgaan
Sommige invasieve exoten zullen niet meer verdwijnen uit onze samenleving. In de acceptatiefase gaat het erom hoe de samenleving met deze invasieve exoten kan leren leven. Het gaat hier om onze natuur en biodiversiteit én om andere maatschappelijke terreinen die geraakt kunnen worden door sommige invasieve exoten die zich definitief vestigen en wijd verspreiden in Nederland. In die gevallen kan de aanpak soms ook inzet gaan vergen van andere overheden omwille van andere belangen.
Voor dit stadium van acceptatie zijn geen kant en klare instrumenten beschikbaar. Ook is op voorhand niet duidelijk welke partijen of overheden hiervoor aan de lat staan.
Per situatie zal dit iets anders van onze samenleving vergen. Aanpassing en leren omgaan met de negatieve gevolgen (bijvoorbeeld bekendheid van het publiek met de risico’s van contact met zo’n soort), het voorkomen van opzettelijke en onopzettelijke verdere verspreiding door het treffen van voorzorgsmaatregelen bij grondverzet, maai-, bagger- en andere werkzaamheden. Kortom, het vergroten van de kennis en het bewustzijn over invasieve exoten en het eigen aandeel in de al dan niet (on-) opzettelijk verdere verspreiding van deze soorten. Waarbij eenieder, burger bedrijf of overheid, de eigen verantwoordelijkheid neemt in de omgang met invasieve exoten en waar nodig het eigen gedrag aanpast of passende maatregelen integreert in de eigen werkzaamheden.
Acceptatie betekent dat er alleen nog ad hoc iets aan wordt gedaan op het moment dat de samenleving er concreet last van heeft. En die afweging ligt dan bij de betrokken partijen zelf. Omwille van de veilige leef omgeving kunnen gemeenten, naast terreineigenaren en bedrijven, besluiten over te gaan tot het (laten) verwijderen van reuzenberenklauw uit gemeentelijke plantsoenen en langs fiets- en wandelpaden. Steeds vaker zullen nesten van Aziatische hoornaars in opdracht van burgers, bedrijven of gemeenten van hun terrein worden verwijderd als overlast ervaren wordt of de veiligheid in het geding is. Vergelijkbaar met hoe dat bij wespennesten gaat. Ook zullen allerlei overheden en marktpartijen moeten leren omgaan met Aziatische duizendknopen en uitheemse rivierkreeften die voorkomen op hun terreinen en in hun water. Dit betekent onder meer dat zij passende voorzorgsmaatregelen zullen moeten integreren in hun werkzaamheden.
8.1 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van acceptatie
Met de volgende aanvullende maatregelen ter bevordering van acceptatie komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen. Voor maatregelen ter bevordering van acceptatie is geen aparte financiële paragraaf geschreven. Maatregelen worden ofwel integraal meegenomen in de eerdere stadiums zoals beschreven in hoofdstukken 4, 5, 6 en 7. Ofwel de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij andere overheden.
8.1.1 Gezamenlijk meer inzet op voorlichting en communicatie richting burgers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties die overlast ervaren van deze invasieve exoten en/of een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het voorkomen van verdere verspreiding. Daar waar het invasieve exoten betreft die andere maatschappelijke schade veroorzaken dan aan de biodiversiteit en ecosystemen, wil LVVN hier gezamenlijk via het interdepartementaal coördinatieoverleg plaagsoortbeheersing invulling aan geven met de vier ministeries (en mogelijk met andere overheden zoals gemeenten, provincies of waterschappen).
8.1.2 Via de interdepartementale coördinatiestructuur agenderen en bespreken van invasieve exoten die in het stadium van acceptatie zijn gekomen en raken aan andere beleidsterreinen. Bijvoorbeeld door te verkennen of er relevante kennis beschikbaar is in andere beleidsvelden dan natuur en biodiversiteit. Of door te verkennen waar in (andere) wet- en regelgeving aanknopingspunten zijn voor actie.
8.1.3 Waar nodig toepassen van de mogelijkheden in het Beleidskader Doelwijziging Natura 2000 als instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden door invasieve exoten onhaalbaar zijn geworden (Beleidskader Doelwijziging | natura 2000).

63 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

9 Exoten in marien gebied en grote wateren
Mariene (invasieve) exoten kunnen voor ecologische en economische schade zorgen en veiligheids- en gezondheidsproblemen veroorzaken. Op de Unielijst staan inmiddels enkele mariene exoten waar de Exotenverordening op van toepassing is. De Exotenverordening blijkt echter weinig richtinggevend als het op mariene exoten aankomt. Het Nederlands beleid voor mariene exoten wordt voornamelijk door andere verdragen en richtlijnen bepaald. De problematiek, de schaal, de betrokken stakeholders (waaronder overheden) en de mogelijkheden voor het mariene milieu zijn van andere orde dan voor de natuur op land en in zoetwater. Vanwege de dynamische en open aard van mariene systemen en open wateren blijkt uitroeiing of beheersing van invasieve exoten zeer moeilijk of meestal onmogelijk. Vanwege de moeite om gevestigde mariene exoten te verwijderen ligt de nadruk vooral op preventie van introductie en vestiging van nieuwe mariene exoten. Voor mariene exoten zijn andere introductie- en verspreidingsroutes van belang dan voor de meeste exoten die op land of in zoetwater kunnen voorkomen.
9.1 Introductie­ en verspreidingsroutes van mariene exoten
Belangrijke introductie- en verspreidingsroutes zijn de scheepvaart, waarbij via aangroei op scheepshuiden en in niche areas (specifieke plekken op schepen die gevoelig zijn voor aangroei), en via ballastwater mariene exoten over lange afstanden kunnen worden getransporteerd. Het kan daarbij gaan om commerciële (internationale) scheepvaart, pleziervaart of vissersschepen. Verspreiding kan ook plaatsvinden via schelpdiertransport en andere transporten voor aquacultuurdoeleinden, zoals zeewierteelt of het uitzetten van vis. Daarnaast speelt ook zwerfvuil dat passief rondzwerft een rol bij de verspreiding van exoten.
In de afgelopen beleidscyclus van de Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) 2018 – 2024 bleek scheepshuidaangroei de grootste bijdrage aan nieuwe exoten in Nederlandse wateren te hebben gehad. Mariene exoten worden vaak in een niet-natuurlijke omgeving gevonden, denk hierbij aan havens en jachthavens op drijf steigers, hard substraat van windparken en dergelijke. Bij veel soorten duurt het enige tijd (enkele jaren) voordat zij zich in een natuurlijke omgeving vestigen. Er zijn bepaalde hotspots van introducties zoals bovengenoemd waar aanvullende gerichte maatregelen een significant effect kunnen hebben op het beperken van de toestroom van exoten.
9.2 De kaders: richtlijnen, verdragen en wetgeving
Vooral de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) is leidend voor de Nederlandse inzet op mariene exoten. Daarnaast zijn voor mariene exoten ook diverse andere verdragen, richtlijnen en wetgeving van toepassing en richtinggevend. Zie ook paragraaf 2.4 en bijlage 1.
Kaderrichtlijn Mariene strategie
De Europese KRM stelt kaders voor duurzaam gebruik binnen de randvoorwaarden van het mariene ecosysteem, rekening houdend met internationale en Europese regelgeving. De KRM verplicht lidstaten om voor hun mariene ecosysteem een Goede Milieutoestand (GMT) te bereiken en/of te behouden. Hiervoor omvat de KRM 11 descriptoren. Eén van deze descriptoren (D2) richt zich specifiek op het terugdringen van mariene exoten. De wijze waarop dit in de praktijk wordt gebracht, heeft Nederland vastgelegd in beleidsdocumenten Mariene Strategie deel 1 t/m 3 (MS1,2 &3). Hierin staat beschreven dat de toename van nieuwe exoten via verschillende introductieroutes geminimaliseerd moet worden. Primaire inzet is op voorkomen van introducties vanwege het gebrek aan handelingsperspectief wanneer deze zich in Nederlandse wateren hebben gevestigd.
Het mariene exoten signaleringsnetwerk levert een belangrijke bijdrage aan monitoring. Deze is in de KRM beschreven in de MS2 (komend 2026). Dit systeem zorgt ervoor dat exoten vroegtijdig worden gesignaleerd. Informatie uit dit netwerk ondersteunt de besluitvorming en draagt bij aan het tijdig nemen van (preventieve) maatregelen. In sommige gevallen is vroeg ingrijpen mogelijk en kan bestrijding effectief zijn. Namelijk wanneer een nieuwe exoot in een vroeg stadium van introductie is (met name in havens, op drijvende structuren zoals steigers en boeien) en eliminatie soms nog mogelijk is.
Lidstaten beoordelen middels de KRM de situatie in beleidscycli van zes jaar. De beoordeling van de huidige situatie en de afstand tot aan de GMT wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd. De indicator die aantoont of de GMT wordt behaald is nog in ontwikkeling onder regionale samenwerking. Dit gebeurt o.a. in werkgroepen van OSPAR en het Joint Research Centre van de Europese Commissie. Nederland neemt actief deel aan deze werkgroepen. In de meest recente MS1 (2024 – 2030) had Nederland de GMT voor exoten niet gehaald en bleek er een toename van het aantal nieuwe introducties te zijn geweest ten opzichte van de vorige beleidscyclus.
Overige internationale afspraken
Het OSPAR-verdrag (1992) heeft als doel het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan te beschermen. In OSPAR is Nederland een aantal richtlijnen overeengekomen over de praktijk rondom ballastwater van schepen om introducties van exoten in kustwateren te verminderen. In het strategische visiedocument North East Atlantic Environment Strategy 2020-2030 (NEAES, 2021) van OSPAR staan strategische en operationele doelen, waaronder het operationele doel S7.O2. Daarin wordt specifiek gestreefd naar het beperken en, waar mogelijk, elimineren van de introductie van exoten in het gebied als gevolg van menselijke activiteiten. Daarnaast is het monitoren en beoordelen van het mariene milieu, waaronder nieuwe introducties van uitheemse soorten, een kerntaak van OSPAR. Deze beoordelingen voeden de Nederlandse rapportages in het kader van de KRM (zie boven).
De ballastwater conventie onder de International Maritime Organization (IMO) bestaat sinds 2004. Dit verdrag stelt eisen aan internationale scheepvaart om exotentransport via het ballastwater te minimaliseren door bijvoorbeeld filters of schoonmaaksystemen te gebruiken. Nederland heeft in 2017 het ballastwaterverdrag geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving en schrijft schoonmaaksystemen aan de scheepvaart voor om verspreiding van exoten via ballastwater te minimaliseren.
Scheepshuidaangroei richtlijnen onder de IMO. De IMO stelt richtlijnen voor lidstaten om verspreiding van exoten via scheepshuidaangroei en in niche areas te minimaliseren, onder andere begeleiding te bieden voor het schoonmaken van schepen op land.
Binnen de EU regelt de Verordening inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (Verordening (EG) 708/2007) het gebruik van uitheemse soorten in aquacultuur. Deze geldt voor alle vormen van aquacultuur, zowel dierlijk als plantaardig (vis, schaaldieren, schelpdieren en zeewier). Deze verordening heeft als doel om de introductie van exoten te voorkomen.
Beleidsregel schelpdiertransport
De nationale Beleidsregel schelpdiertransport regelt het verplaatsen van schelpdieren tussen wateren om de introductie en verspreiding van ongewenste soorten en ziekteverwekkers te voorkomen. Voor transport is een vergunning vereist, waarbij vooraf wordt beoordeeld of risico’s voor natuur en milieu aanwezig zijn. Monitoring en inventarisatie van bron- en doelgebieden zijn verplicht om probleemsoorten te detecteren. Transporten tussen ecologisch verschillende gebieden, zoals tussen de Oosterschelde en het Grevelingenmeer, zijn aan extra voorwaarden gebonden. De beleidsregel draagt zo bij aan een duurzaam en verantwoord beheer van schelpdierbestanden binnen de kaders van de Omgevingswet (hiervoor Wet natuurbescherming).
9.3 Taakverdeling binnen het Rijk, provincies en RWS
Het mariene systeem van Nederland wordt gekenmerkt door de ligging in een delta, met estuaria van rivieren die in zee uitstromen, zoet/zout overgangen, de Waddenzee, en daarbuiten de Noordzee. Langs de kust zijn verscheidene (grote) havens gelegen met veel in- en uitstroom van internationale scheepvaart. Binnen dit systeem kunnen verschillende deelgebieden worden onderscheiden, die natuurlijk ook met elkaar in verbinding staan. Het gevolg hiervan is dat mariene exoten zich op het terrein van verschillende overheden kunnen bevinden.
Ministerie van LVVN
Onder de verantwoordelijkheid van LVVN met betrekking tot invasieve exoten vallen directe taken die volgen uit de Exotenverordening zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel etc. Tevens is LVVN verantwoordelijk voor een aantal (aquatische) soorten van de Unielijst waarvan de verantwoordelijkheid niet aan de provincies is overgedragen. LVVN is vanuit de biodiversiteitsopgave en bescherming van ecosystemen ook verantwoordelijk voor exotenbeleid op de Noordzee buiten de 12-mijlszone en voor de Waddenzee en andere grote wateren. Dit gebeurt grotendeels middels de KRM.
Ministerie van IenW en Rijkswaterstaat
De goede ecologische waterkwaliteit conform de KRM en de Kaderrichtlijn Water valt onder de eindverantwoordelijkheid van IenW. IenW is tevens verantwoordelijk voor de regulering van scheepvaart en milieueffecten van zwerfvuil.
IenW heeft voor de Natura 2000-gebieden in de grote wateren (zoals die in de zuidwestelijke delta, in het IJsselmeergebied en de Waddenzee) en in de Noordzee een taak om voor beschermde soorten en habitattypen beheerplannen vast te stellen en zorg te dragen voor het treffen van intandhoudings maatregelen en passende maatregelen die nodig zijn voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor die gebieden en het voorkomen van verslechtering. Hieronder valt ook de aanpak van invasieve exoten waar deze de instand houdingdoelstellingen in gevaar brengen.
In de grote Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS) als voortouwnemer. RWS is beheerder van de Noordzee en van de grote Rijkswateren. In andere grote wateren, waar provincies de totstandkoming van het beheerplan coördineren (zoals Rijntakken), dient RWS medewerking te verlenen aan de noodzakelijke maatregelen.
Provincies
De provincies zijn verantwoordelijk voor beheer van aangewezen exoten in de rivieren, meren en inlandse zeearmen (zoals de Oosterschelde). De provincies zijn ook verantwoordelijk voor de uiterwaarden en eilanden die binnen de Rijkswateren liggen.
9.4 De Waddenzee
Ook al is de Waddenzee een marien gebied, toch valt dit unieke en kwetsbare gebied formeel onder de Kaderrichtlijn Water (KRW) en niet onder de KRM. Ook de Zeeuwse delta (aquacultuur) en de zeehavens (met scheepvaart als belangrijke introductieroute) zijn KRW-gebieden. Dit zijn gebieden van waaruit exoten weer in het mariene milieu terecht kunnen komen. In de KRW worden (invasieve) exoten echter niet genoemd.
Binnen de Waterwet en de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden beheerplannen opgesteld die gericht zijn op het behoud en herstel van de ecologische kwaliteit van waterlichamen, waaronder maatregelen voor het monitoren en beheersen van invasieve exoten. Deze plannen dragen bij aan een integrale aanpak waarbij zowel waterkwaliteit als ecologische balans centraal staan. In dit kader is er reeds aandacht voor invasieve exoten in de Waddenzee.
Als deelnemer aan de Trilaterale Waddenzee Samenwerking werkt Nederland samen met Duitsland en Denemarken aan de implementatie van het Management and Action Plan on Alien Species (MAPAS), gericht op monitoring, risicobeoordeling en bestrijding van invasieve exoten in het Waddengebied.
Monitoring en signalering van invasieve exoten zijn belangrijke pijlers in het huidige beleid. Via bestaande monitoringsprogramma’s, zoals de Staat van het Wad en KRW-monitoring, wordt continu gewerkt aan het identificeren van invasieve exoten en het volgen van hun impact.
9.5 Analyse van verbeterpunten en aanbevelingen ten aanzien van mariene exoten
• Mariene exoten raken aan de terreinen van veel verschillende overheden en partijen, waardoor sprake is van versnippering. Samenwerking tussen IenW en LVVN, RWS, havenautoriteiten, de Waddenbeheerautoriteit, provincies en waterschappen is nodig om effectief preventieve maatregelen te nemen tegen risicobronnen. Afstemming tussen alle betrokken overheden en samenhangend beleid is essentieel voor een effectieve (grensoverstijgende) aanpak, vooral in kwetsbare gebieden zoals de Waddenzee. Aangezien (internationale) scheepvaart een belangrijke introductie- en verspreidingsroute vormt voor exoten, werkt Nederland samen met internationale instanties en in regionaal verband om gezamenlijk het risico op verspreiding van exoten te minimaliseren.
• Veel exoten die nieuw binnenkomen worden eerst alleen op drijvende structuren (zoals steigers en boeien) in havens gevonden. Het duurt bij nieuwe soorten meestal enkele jaren voordat zij op andere plaatsen worden gevonden. Dit betekent dat regulier preventief onderhoud, zoals schoonmaak van drijvende structuren in havens, een effectieve maatregel kunnen zijn om vestiging en verdere verspreiding naar een meer natuurlijke omgeving in een vroeg stadium te voorkomen.
• BuRo van de NVWA laat elk jaar hotspots voor de introductie van uitheemse soorten monitoren via het signaleringsnetwerk mariene exoten. Daarnaast zijn er in de afgelopen jaren regelmatig uitgebreidere gebieds- en haveninventarisaties uitgevoerd. Het is van belang de continuïteit van het signaleringsnetwerk voor mariene exoten voldoende te borgen om voldoende grip te krijgen en behouden op de aanpak van mariene exoten.
• Concrete aanvullende maatregelen organiseren voor snelle afhandeling na signalering van nieuwe exoten. Door het instellen van een quick response team van deskundigen dat actief wordt zodra de eerste exemplaren van een invasieve exoot worden gesignaleerd. Dit team kan snelle eliminatie organiseren in een poging om de soort te elimineren of uitbreiding te stoppen. Met een pilot in de Waddenzee kan worden gestart waarna deze werkwijze later naar alle grote wateren kan worden uitgerold.
• LVVN werkt aan een beleidskader rondom zeewierkweek. Risico mitigatie voor wat betreft invasieve exoten wordt onderdeel van dit beleidskader.
• Nationaal geldend transportbeleid voor alle vormen van aquacultuur. Er zou beleid moeten komen om verplaatsing van exoten tegen te gaan bij alle vormen van aquacultuur in het mariene milieu. In het risico-advies van BuRO (2017) wordt geadviseerd de beleidsregel breder toe te passen op import naar alle schelpdiergebieden en tussen afzonderlijke N2000-gebieden. Er is nu schelpdiertransportbeleid en er wordt verkend onder de KRM of dit zou moeten worden uitgebreid.
• Effectiviteit van de huidige richtlijnen kan verbeterd worden:

  • Maatregelen tegen scheepshuidaangroei richten zich nu vaak op aangroei op de romp van schepen.
    Maar vanuit preventie van aangroei en verspreiding van exoten zijn vooral de niche areas van belang. Ook de uitvoering van het schoonmaken van scheepshuidaangroei kan worden verbeterd als meer landen het spoelwater gaan afvangen (afvang van biociden/chemicaliën én bio-organismen). Dit zou nog beter verankerd moeten worden in de richtlijnen.
  • De ballastwaterbehandelingssystemen (van internationale) schepen functioneren vaak nog niet goed genoeg waardoor er uitzonderingen gemaakt moeten worden, zoals uitzondering van belangrijke natuurgebieden van de ballastwater wisselgebieden. In het kader van preventie is het belangrijk dat ballastwater goed behandeld wordt en uitzonderingen beperkt blijven.
    • Bij nieuwe projecten, zoals windmolenparken op zee, natuurherstelprojecten, andere projecten in het water, kan meer naar de gevolgen voor exoten gekeken worden. Het gaat om de vraag of exoten bedoeld of onbedoeld door geïntroduceerd kunnen worden en of het project de vestigingsmogelijkheden voor exoten vergroot.
    • De focus ligt momenteel vooral op preventie van introductie. Daarnaast zou ook ingezet kunnen worden op het voorkomen van vestiging en verspreiding. In een vroeg stadium kan definitieve vestiging van een exoot soms nog worden voorkomen, onder meer door:
  • Regulier schoonmaken van hotspots waarvan bekend is dat exoten die als steppingstone (opstapje naar verder verspreiding) gebruiken.
  • Met een rapid response budget nieuwe zorgwekkende mariene exoten snel verwijderen nadat ze voor het eerst waargenomen zijn.
  • Als een exoot eenmaal wijd verspreid gevestigd is, kan soms worden voorkomen dat exoten grote overlast veroorzaken door ze weg te vangen of door de omstandigheden dusdanig te veranderen dat ze minder goed voortplanten.
    • Pleziervaart is ook een belangrijke verspreider van exoten. In andere landen (o.a. het Verenigd Koninkrijk, Duitsland) zijn er daarom publiekscampagnes (check, clean, dry) om ervoor te zorgen dat mensen hun boten schoonmaken.
    9.6 Aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van de aanpak mariene exoten
    Met de volgende aanvullende maatregelen ter ontwikkeling en versteviging van de aanpak van mariene exoten komt LVVN, binnen de beschikbare middelen, tegemoet aan de hiervoor genoemde verbeterpunten en aanbevelingen:
    9.6.1 Organiseren van betere afstemming en samenwerking tussen overheden voor meer samenhang en regie op de verantwoordelijkheden voor mariene exoten en de uitvoering. Het gaat specifiek om afstemming tussen verschillende afdelingen bij de ministeries van LVVN en IenW die een taak op het gebied van exoten hebben of raakvlakken daarmee. En afstemming met organisaties buiten de Rijksoverheid, waaronder Rijkswaterstaat, de Waddenbeheerautoriteit, havenautoriteiten, provincies en waterschappen.
    9.6.2 De Beheerautoriteit Waddenzee en het Beheerderscollectief Waddenzee gaan in opdracht van LVVN projectvoorstellen uitwerken en verkennen in hoeverre deze in het Integraal Beheerplan Waddenzee een plek kunnen krijgen:
    • Implementatie van een surveillancesysteem voor invasieve exoten en het nemen van maatregelen om de instroom van nieuwe exoten te beperken.
    • Opnemen van exotenbestrijding in maatregelen die gericht zijn op het versterken van gastheerschap in het Waddengebied. Door oprichting van een snel interventieteam met bevoegdheden, verantwoordelijkheden en middelen om vestiging van nieuwe invasieve mariene exoten tegen te gaan.
    9.6.3 Aanvullend beleid ontwikkelen tegen vestiging (schoonmaak binnen introductie hotspots zoals drijvende steigers en boeien binnen havens, windparken op zee). Dit wordt momenteel onderzocht onder de KRM.
    9.6.4 Communicatie en educatie bij jachthavens voor het schoonmaken scheepshuiden en (drijvende structuren in) de havens.
    9.6.5 Uitrol van check-clean-dry campagne richting waterrecreatie (via Sportvisserij Nederland, De Blauwe Vlag gericht op jachthavens, duik/surf/roei verenigingen etc.)
    9.6.6 Organiseren van vroege signalering en snelle eliminatie in beginstadium van de roofslak Rapana venosa.
    9.6.7 Nederland zet zich in voor meer internationaal draagvlak en commitment van andere landen voor het verbeteren van en internationaal verplichten van de ballastwater conventie. Nederland streeft naar internationale afspraken om verspreiding van exoten via scheepshuidaangroei en in niche areas te minimaliseren via een conventie voor biofouling.
    9.6.8 Uitzoeken van de mogelijkheden om exoten op te laten nemen in milieueffectrapportages bij projecten op zee of in de kust; (vooraf en naderhand) evalueren van consequenties voor exoten bij projecten.
    9.7 Financieringsopgave van de aanpak mariene exoten
    De eerste ambtelijke verkenning van de kostenindicatie voor het voorgestelde maatregelpakket voor de totale inzet van LVVN is 8 miljoen euro. Voor de jaren 2025 en 2026 wordt begonnen met een bedrag van circa 1,6 miljoen euro dat hiervoor is gereserveerd op de LVVN-begroting. Met deze middelen worden (naast inzet op preventie, zie Hoofdstuk 4) ook de meest prioritaire en effectieve voorgestelde maatregelen als mogelijk uitgevoerd voor de aanpak van mariene exoten. Voor wat betreft het voorgestelde interventieteam en snelle eliminatie van soorten gaat het om pilots in het kader van een eerste verkenning van de uitvoerbaarheid en haalbaarheid.
    Op dit moment is er nog geen goed zicht op de omvang van kosten. Onderzocht wordt in hoeverre voor gestelde maatregelen integraal meegenomen kunnen worden binnen de uitvoering van beheerplannen of andere natuurgelden. Daarbij wordt ook gekeken naar de verantwoordelijkheidsverdeling van de betrokken overheden. Het streven is deze aspecten op een later moment in beeld te hebben, bij voorkeur bij de tussenevaluatie. Eventuele besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
    10 Evaluatie
    De monitorings- en evaluatiecyclus van het exotenbeleid, is aangevangen bij de in 2022 gepubliceerde systeem evaluatie van het exotenbeleid. De aanbevelingen uit het rapport zijn verwerkt in de opzet van dit aanvalsplan. Om een goed beeld te krijgen van de doeltreffendheid en de doelmatigheid die gaat volgen uit deze nieuwe fase in de beleidscyclus is het van belang voorafgaand en gedurende de uitvoering regelmatig te monitoren en te evalueren.
    Alle stappen in de monitorings- en evaluatiecyclus moeten er aan bijdragen dat beter inzichtelijk wordt in welke maten het volgende overheidsdoel behaald wordt:
    Doel van het exotenbeleid is de nadelige gevolgen voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen.
    Ex ante analyse en start monitoring
    De eerste stap in de evaluatiecyclus van het aanvalsplan is het uitvoeren van een ex-ante analyse. In deze analyse wordt er een beleidstheorie opgesteld voor het aanvalsplan, worden de beleidsdoelen opgesteld, en worden indicatoren en streefwaarden aangewezen die gedurende de uitvoering van het aanvalsplan bijgehouden kunnen worden. Het is in deze fase van beleid van belang om goed in kaart te brengen welke evaluatievragen na twee en vijf à zeven jaar beantwoord moeten worden. Door in een vroege fase van beleid inzichtelijk te maken welke informatie nodig is om een goed beeld te krijgen van de resultaten van beleid, kan er in de verdere loop van de beleidscyclus beter geleerd en verantwoord worden. Hiervoor kunnen zowel kwalitatieve en kwantitatieve afspraken gemaakt worden. Daarnaast worden met provincies en andere medeoverheden afspraken gemaakt welke informatie zij kunnen opleveren die inzichten geeft in de effectiviteit van het beleid.
    Tussenevaluatie
    Twee jaar na de start van de uitvoering van het aanvalsplan vindt de eerste tussenevaluatie plaats. Deze evaluatie heeft als doel om de eerste successen en teleurstellingen inzichtelijk te maken. De tussenevaluatie heeft daarbij een nadrukkelijk ‘lerend’ karakter en biedt voorbereiding voor een volgende uitvoeringcyclus van vier jaar.
    De tussenevaluatie moet een beknopt inzicht geven van de mate waarin het aanvalsplan uitvoering krijgt met de beschikbare middelen. Deze tussenevaluatie wordt uitgevoerd op het vroegst mogelijke moment waarop iets nuttigs gezegd kan worden over de uitwerking van het aanvalsplan in de praktijk. Voor een volledig beeld van de beleidseffecten heeft het aanvalsplan tijd nodig om uitvoering te krijgen en een zichtbaar beleidseffect teweeg te brengen. Het doel van de tussenevaluatie is daarmee niet om te kunnen vaststellen of de het aanvalsplan een succes is. Een vermoeden van het tegenovergestelde zou echter wel aan het licht kunnen komen.
    Centrale vragen die hierbij beantwoord kunnen worden zijn:
  1. Hoe pakt het aanvalsplan uit voor de medeoverheden, organisaties of bedrijven voor wie het aanvalsplan is bedoeld?
    A. Hoe worden de voorgestelde extra maatregelen ervaren door de betrokkenen?
    B. Ontstaan er in de praktijk knelpunten of onbedoelde effecten?
    C. In hoeverre komt de praktijk overeen met de aannames uit de voorbereidingsfase van het aanvalsplan?
  2. Hoe pakt het aanvalsplan uit voor de provincies, waterschappen en uitvoering?
    A. Hoe wordt de uitvoering van de landelijke afspraken (bij het provinciaal ambitiedocument) ervaren door de provincies (en waterschappen)?
    B. Ontstaan er in de uitvoeringspraktijk knelpunten of onbedoelde effecten?
  3. Hoe pakt de rapportage uit?
    A. Wordt de data op tijd verzameld?
    B. Wordt de data binnen de geraamde kosten verzameld?
    C. Wat is de zeggingskracht van de al verzamelde data? Zijn er witte vlekken?
    Het reflectieve aspect van de tussenevaluatie draait om te onderzoeken in hoeverre het aanvalsplan procesmatig werkt, en vooral ook hoe er geleerd kan worden van de ervaring in de eerste twee jaar. En wat dit betekent voor de voortzetting van het aanvalsplan in opvolgende jaren en de financieringsbehoefte voor exotenbeleid op langere termijn. Dit aspect van de tussenevaluatie draait niet om de effectiviteit van het aanvalsplan, maar om de effectiviteit van de samenwerking. Het reflectieve deel van de tussenevaluatie kent nadrukkelijk geen afrekenend karakter, het moet sterk bijdragen aan de invulling en financiering van een vervolg op het aanvalsplan in de periode 2029-2032 en de manier waarop verschillende partijen in het systeem elkaar vinden en samenwerken.
    Als resultaat geeft de tussenevaluatie inzicht in vraagstukken rondom de onderbouwing van continuatie of eventuele aanpassing van maatregelen uit het aanvalsplan en het provinciaal ambitiedocument. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de huidige focus op preventie en vroege eliminatie en de financieringsbehoefte voor de overige (beheers-)maatregelen. Daarmee vormt de tussenevaluatie een basis voor nieuwe besluitvorming over het vervolg en de financiering daarvan.
    Ex post evaluatie
    Na vijf à zeven jaar wordt het beleid ex post geëvalueerd, de precieze planning van de evaluatie hangt af van de doorloop van het aanvalsplan. De ex post evaluatie volgt de vereisten zoals bepaald in de comptabiliteitswet. De hoofdvraag van de ex post evaluatie wordt ‘in hoeverre is het landelijk aanvalsplan invasieve exoten doeltreffend en doelmatig geweest?’. Het onderzoek zal gebaseerd worden op de data die wordt gemonitord zoals beschreven in het monitoringsplan dat voortkomt uit de ex ante analyse, en terugkijken op de aanbeveling uit de tussenevaluatie. De ex post evaluatie heeft een verantwoordend karakter, en zal inzicht bieden in hoeverre het aanvalsplan effectief heeft bijgedragen aan de problemen die ten grondslag leggen aan het exotenbeleid. De methodologie van de ex post evaluatie zal putten uit de aanbevelingen van de commissie Ter Weel (2023), waarin wordt beschreven hoe systeembeleid ex post geëvalueerd kan worden. Ten slotte zal de inrichting van de ex post evaluatie zo ingericht worden dat het zo robuust mogelijk is, en daarmee zo hoog mogelijk scoort op de effectladder.
    Bijlagen
  4. Internationale en Europese verdragen en richtlijnen met betrekking tot invasieve exoten
  5. Beschrijving surveillancesysteem invasieve exoten Nederland
  6. Informatie partijen rond invasieve exoten
  7. Initiatieven van brancheorganisaties en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld (niet uitputtend)
  8. Opsomming van huidige overlegstructuren en samenwerkingsvormen
  9. Overzicht van Unielijstsoorten in een vroeg stadium van introductie waarvoor eliminatieplicht geldt (artikel 17)
  10. Overzicht van gevestigde en wijdverspreide Unielijstsoorten waartegen beheersmaatregelen getroffen
    worden (artikel 19) onder voorbehoud van financiering
  11. Nieuwe soorten van de Unielijst per 7 augustus 2025
  12. Generieke landelijke afspraken
  13. Verantwoording van het doorlopen proces 
    Bijlage 1 Internationale en Europese verdragen en richtlijnen met betrekking tot invasieve exoten
    Internationale verdragen/richtlijnen
    RAMSAR-conventie (wetlands verdrag, 1971)
  • COP-resoluties (VII.14 en VIII.18): oproep tot preventie, monitoring en beheer van invasieve soorten in wetlands.
    Bern-conventie (1979)
    • Artikel 11(2)(b): regulered de introductie van uitheemse soorten.
    • Strategic Plan 2030: benoemd IAS als een van de belangrijkste drukfactoren op biodiversiteit.
    VN-verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS, 1982)
  • Artikel 196: Staten zijn gehouden alle noodzakelijke maatregelen te nemen ter voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu, waaronder ook de opzettelijke of toevallige introductie van uitheemse of nieuwe soorten die aanzienlijke en schadelijke veranderingen kunnen veroorzaken.
    Overeenkomst inzake het behoud van Afrikaanse-Euraziatische trekvogels (AEWA, 1996)
  • Bepalingen om de introductie en verspreiding van invasieve watervogelsoorten te voorkomen die inheemse flora en fauna kunnen bedreigen.
    Verdrag inzake het recht van het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor de scheepvaart (1997)
  • Artikel 22: Staten binnen een internationaal stroomgebied zijn verplicht alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de introductie van uitheemse of nieuwe soorten te voorkomen, indien deze aanzienlijke schade aan het ecosysteem en andere staten kunnen veroorzaken.
    Biodiversiteitsverdrag (CBD, 1992)
    • Artikel 8(h): voorkomen, beheersen of uitroeien van invasieve soorten.
    • Global Biodiversity Framework (2022), Target 6: reductie introductie IAS met 50% in 2030 en minimaliseren impact.
    IMO-Ballastwaterverdrag (2004, in werking 2017)
  • Eisen voor behandeling ballastwater van schepen om de verspreiding van invasieve aquatische soorten via ballastwater.
    IMO-hull fouling guidelines (2012 & 2023)
    • 2012 richtlijnen voor het minimaliseren van de overdracht van invasieve aquatische soorten als biofouling
    • 2023 vastlegde richtlijnen voor de controle en het beheer van biofouling van schepen om de overdracht van invasieve aquatische soorten tot een minimum te beperken
    Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten (IPPC, 2008)
  • Maatregelen om de introductie en verspreiding van invasieve soorten en plagen tegen te gaan. Beschermt niet alleen landbouw- en tuinbouwplanten, maar ook wilde flora, habitats en ecosystemen.
    Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR, 2021, geamendeerd in 2025)
  • Objective 7.02: Introductie van uitheemse soorten in het Noordoost-Atlantische marine gebied door menselijke activiteiten tot een minimum te beperken en waar mogelijk te elimineren door de ontwikkeling van een gecoördineerde management plan.
    EU richtlijnen
    Kaderrichtlijn Mariene Strategie (2008/56/EG)
    • Bescherming van zeebodem en mariene ecosystemen met oog op gezonde, productieve en duurzaam gebruikte zeeën.
    • De introductie van niet-inheemse mariene soorten moet worden meegenomen in mariene beheers trategieën.
    Verordening inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur
    (708/2007/EG)
  • Maakt gebruik van uitheemse soorten in aquacultuur mogelijk, maar moet voorkomen dat zij als invasieve exoten schade veroorzaken, door risicobeoordeling, vergunningen en beheersmaatregelen
    Europese Exotenverordening (1143/2014)
  • Doel om de introductie, verspreiding en impact van invasieve exoten in Europa te beperken. Centraal in de verordening staat een lijst van soorten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Unie gewenst is.
    Europese Vogelrichtlijn (2009/147/EG)
    • Doel is het behoud van wilde vogelsoorten en hun leefgebieden.
    • Indirecte link met de Exotenverordening: door invasieve uitheemse soorten te beheersen, ondersteunt de verordening het beschermen van vogels en hun habitats.
    Habitatrichtlijn (92/43/EEG)
    • Doel: het behoud en herstel van natuurlijke habitats, en de bescherming van inheemse flora en fauna in de EU.
    • Indirecte link met de Exotenverordening: door invasieve uitheemse soorten te beheersen, wordt het in stand houden van habitats en inheemse soorten ondersteunt.
    Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG)
    • Doel: het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater en het handhaven van gezonde aquatische ecosystemen.
    • Indirecte link met de Exotenverordening: door invasieve waterplanten en dieren te voorkomen en te beheren, draagt de verordening bij aan het behouden van gezonde waterecosystemen
    Verordening betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten (2016/2031)
    • Deze Europese regelgeving vormt de regionale uitwerking van de IPPC-verplichtingen binnen de EU.
    Ze draagt bij aan het vroegtijdig detecteren van potentieel invasieve exoten via handelsstromen.
    Europese biodiversiteitsstrategie (2020)
    • Doel om het aantal van Rode-Lijstsoorten dat door IAS bedreigd wordt te halveren.
    Europese Natuurherstelverordening (2024/1991)
    • Artikel 12: Uitheemse soorten vormen een toenemende bedreiging voor de inheemse fauna en flora in de Europese Unie.
    • In bijlage VII wordt als voorbeeld herstelmaatregel genoemd: Invasieve uitheemse soorten verwijderen en beheersen en nieuwe introducties daarvan voorkomen of tot een minimum beperken.
    Andere samenwerkingsstructuren
    Trilaterale Waddenzee Samenwerking (NL-DUI-DK)
    • Management and Action Plan Alien Species (MAPAS): afspraken over preventie en beheer van exoten in het Waddengebied.
    Bijlage 2 Beschrijving surveillancesysteem invasieve exoten Nederland
    Het surveillance systeem invasieve exoten in Nederland bestaat uit zes samenhangende onderdelen:
  1. Gestructureerde monitoring in aansluiting op de bestaande natuurmonitoring;
  2. Gegevensbeheer in de Nationale Databank Flora en Fauna;
  3. Citizen science surveillance;
  4. Signaleringsproject invasieve exoten;
  5. Nederlandse soorten register;
  6. Alert systeem invasieve exoten;
  7. Mariene exoten signaleringsnetwerk (MES).
    1. Gestructureerde monitoring in aansluiting op de bestaande natuurmonitoring
      Nederland heeft een bestaand monitoringsysteem voor de Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) en de Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn). Binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) worden volgens geldende standaarden en protocollen gestructureerde tellingen verricht naar soorten. Dit gebeurt onder professionele coördinatie van de soortenorganisaties
      • ANEMOON (marien ecologisch onderzoek);
      • Bryologische en Lichenologische Werkgroep (onderzoek naar mossen en korstmossen);
      • EIS (kenniscentrum insecten en andere ongewervelden);
      • FLORON (onderzoek wilde planten);
      • Nederlandse Mycologische Vereniging (onderzoek paddenstoelen);
      • RAVON (onderzoek naar amfibieën, reptielen en vissen);
      • SOVON vogelonderzoek Nederland; • De Vlinderstichting (vlinders en libellen);
      • Zoogdiervereniging.
      Het doel van gestructureerde monitoring is om op wetenschappelijk verantwoorde wijze landelijk veranderingen in de tijd en trends waar te nemen (NB Dat is niet of nauwelijks mogelijk met incidentele, ongestructureerde metingen). Sommige van deze professionele metingen worden gedaan door betaalde krachten of in losse opdrachten, voor andere metingen zoals broed- en trekvogels worden grote aantallen vrijwilligers ingeschakeld. In totaal zijn meer dan 16.000 vrijwilligers betrokken bij de gestructureerde monitoring.
      In opdracht van het Ministerie van LNV en onder inhoudelijke begeleiding van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is het bestaande natuurmonitornetwerk uitgebreid met soorten die zijn opgenomen op de Europese Unielijst van invasieve exoten. Voor sommige soortgroepen kan worden volstaan met het uitbreiden van bestaande tellijsten in de bestaande telrondes, bijvoorbeeld bij planten die door FLORON worden geïnventariseerd. Voor andere soorten zijn aparte, aanvullende opdrachten nodig. Zo zijn voor zoogdieren extra cameravallen aangeschaft waarmee de Zoogdiervereniging in risicogebieden zoekt naar onder meer muntjak, wasbeer en wasbeerhond.
  8. Gegevensbeheer in de Nationale Databank Flora en Fauna
    Onderdeel van de natuurmonitoring is het beheer van natuurgegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank bevat méér dan alleen bovengenoemde monitoringgegevens. De databank zet zich ervoor in om alle waarnemingen van in het wild levende planten en dieren in Nederland te verzamelen; ook incidentele metingen en ook overige onderzoeken die buiten het NEM worden gedaan door gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, particuliere terreinbeheerders, Rijks-overheidsinstellingen zoals Rijkswaterstaat of anderen). Ook de hieronder genoemde Citizen Science meldingen komen – na validatie - in de NDFF terecht, waarmee de NDFF een belangrijke schakel vormt in het surveillance systeem.
  9. Citizen science surveillance
    Op de het internetplatform www.waarneming.nl (onderdeel van Observado.org) kan iedereen natuurwaarnemingen invoeren, inclusief exoten. Veel natuurliefhebbers maken daar gebruik van. Meer dan 100.000 vrij willigers melden hun waarnemingen. In 2018 passeerde de database de 100.000.000 records. De terreinbeheerders hebben een eigen, vergelijkbaar platform gelanceerd: www.telmee.nl. Ook daar kunnen vrijwilligers waarnemingen melden. Er zijn enkele apps voor mobiele platforms die het doen van waarnemingen vereenvoudigen. Binnen waarneming.nl/ observado.org zijn apps ontwikkeld voor automatische validatie van soorten: ObsIdentify (voor diverse soortgroepen ontwikkeld).
    De gegevens uit deze Citizen Science kunnen niet zomaar worden gebruikt. Ervaringen met de Aziatische hoornaars leren dat veel fouten kunnen worden gemaakt met identificatie of invoer. Door alarmerende berichten over de Aziatische hoornaar in de pers nam het aantal ingevoerde waarnemingen exponentieel toe. Op een enkele waarneming na waren dit allemaal foute waarnemingen en betrof het in alle gevallen de inheemse Europese hoornaar.
    Validatie van de waarnemingen is daarom essentieel. Een deel van de waarnemingen wordt automatisch gevalideerd door kennisregels of automatische foto-identificatie. Een ander deel van de waarnemingen wordt handmatig gevalideerd door soort-experts van de soortenorganisaties. Gevalideerde waarnemingen worden opgenomen in de NDFF.
  10. Signaleringsproject exoten
    Het Signaleringsproject exoten heeft tot doel (nieuwe) exoten in Nederland vroegtijdig(er) in beeld te krijgen en om de bekendheid van exoten te vergroten. Hiertoe geeft de NVWA-opdracht aan de eerdergenoemde soortenorganisaties, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en Sportvisserij Nederland om hun ‘eigen’ vrijwilligers te informeren en enthousiasmeren om op exoten te letten en waarnemingen door te geven in de genoemde portal(s). Onderdeel van het project is het ontwikkelen van informatiemateriaal, het uitvoeren van jaarlijkse speerpunten zoals bepaalde soorten of onderzoeken, het zo spoedig mogelijk publiek maken van waarnemingen van nieuwe exoten in Nederland en het opnemen van losse waarnemingen in de NDFF.
  11. Nederlandse soorten register Naturalis Biodiversity Center
    Het Nederlandse soortenregister bij Naturalis bevat een overzicht van alle soorten die in Nederland zijn waargenomen, inclusief een korte beschrijving, een duiding van de beleidsstatus en links naar verspreidingsgegevens. Voor exoten is een zogenaamd ‘exotenpaspoort’ opgenomen, dat onder meer beschrijft wanneer de soort voor het eerst is waargenomen en hoe de risico’s van de soort worden ingeschat – voor nieuwe exoten op basis van een quick scan/ expert judgement.
  12. Alert systeem invasieve exoten
    • Indien (nieuwe of risicovolle) invasieve exoten worden waargenomen, is het gewenst dat er zo spoedig mogelijk een signaal terecht komt bij de verantwoordelijke autoriteiten. Dit gebeurt op de volgende manieren:
    • Binnen www.waarneming.nl is een alert tool ontwikkeld waarmee iedereen zich kan abonneren op dagelijkse meldingen van invasieve exoten. Onderdeel van deze alert tool is dat ingevoerde waarnemingen nog vóór de openbaarmaking worden doorgegeven aan soorten-experts van de soortenorganisaties, die de waarneming kunnen valideren.
    • Eenzelfde alert tool wordt momenteel ontwikkeld binnen de NDFF, als daar waarnemingen uit andere bronnen binnenkomen.
    • Iedereen kan rechtstreeks meldingen doen bij een algemene postbus invasieve-exoten@nvwa.nl.
    • Voor niet-Unielijstsoorten is daarnaast het Signaleringsproject exoten van belang, waarmee de soortenorganisaties zo spoedig mogelijk waarnemingen van nieuwe exoten publiek maken.
    Bijlage 3 Informatie partijen rond invasieve exoten
    Door verschillende partijen en netwerken wordt betrouwbare informatie aangeboden over uiteenlopende aspecten rond invasieve soorten (niet uitputtend):
    • Het Nederlands Expertise Centrum Exoten (NEC-E) bundelt alle wetenschappelijke kennis over exoten met het doel meer grip te krijgen op de beheersing van exoten en beleidsmakers en terreinbeheerders te kunnen adviseren over maatregelen.
    • Het Kennisnetwerk Invasieve Exoten bundelt en valideert praktische informatie over de aanpak van invasieve exoten. Met focus op bestrijdingsmethoden en handelingsprotocollen voor met name landplanten.
    • NVWA: kennis en informatie over soorten op de Unielijst, handhaving en risicobeoordelingen.
    • RVO: informatie over de regelgeving omtrent invasieve exoten.
    • FLORON: kennis over de aanwezigheid van invasieve exoten (planten) in Nederland.
    • STOWA: informatie over met name zoetwatersoorten (uitheemse rivierkreeften, waterplanten, muskus- en beverratten), werkgroep invasieve exoten waterschappen.
    • OBN Natuurkennis
    • Informatie voor het grote publiek op Rijksoverheid.nl.
    • Plaagsoorten.nl: kennis over verspreiding, bestrijding en beheersing van soorten planten en dieren die een plaag vormen voor het waterbeheer.
    • Staatsbosbeheer.
    • Websites van de diverse Provincies.
    • Het Informatiepunt Leefomgeving over de Omgevingswet.
    • Waarneming.nl.
    • Vereniging voor Bos- en Natuurterrein Eigenaren: achtergronden en praktijkadviezen.
    • NBV/Imkers over Aziatische hoornaar.
    • Natuurberichten van Nature Today.
    • Informatie over het Europees exotenbeleid op de website van het Kenniscentrum Europa decentraal.
    Bijlage 4 Initiatieven van brancheorganisaties en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld (niet uitputtend)
  13. Tuinbranche Nederland informeert zijn leden over de herkenning en bestrijding van het Mediterraan draaigatje.
  14. Stadswerk ondersteunt met het Kennisnetwerk Invasieve exoten gemeenten en groenbeheerders bij de preventie (aanplant en verslepen van invasieve exoten) en bestrijding.
  15. Floron biedt met ‘Tuin er niet in’ een overzicht van niet invasieve alternatieven voor bekende invasieve tuinplanten.
  16. Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren heeft een praktijkadvies invasieve exotische planten en invasieve exotische dieren ontwikkeld.
  17. Het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen biedt een nascholing invasieve exoten aan.
  18. Wageningen University & Research, Dreevers, scholengroep Yuverta en Koninklijke VHG hebben in samenwerking met het Groen Kennisnet leermiddelen op maat ontwikkeld, van kenniskaarten voor uitvoerders tot digitale lespakketten voor toekomstige beroepsbeoefenaren in het vmbo en mbo.
  19. Stichting Dierenlot besteedt op de website aandacht (invasieve) exoten als huisdier.
  20. Sportvisserij Nederland schrijft in hun magazine en op de website regelmatig over invasieve soorten.
  21. De Nederlandse Jagersvereniging communiceert regelmatig met haar leden over invasieve exoten gerelateerde onderwerpen
  22. Vakgroep Wilde Weelde is een vakvereniging van bedrijven die milieubewust werken vanuit een ecologische visie aan een natuurrijke omgeving, bijvoorbeeld door gebruik te maken van inheemse/ niet-invasieve planten. 
    Bijlage 5 Opsomming van huidige overlegstructuren en samenwerkingsvormen
    LVVN organiseert momenteel zelf:
    • Focusgroep Beheer
    • Programma uitheemse rivierkreeften/OBUR
    • NEM-overleg soortenorganisaties over monitoring
    • Overleg met soortenorganisaties dierenwelzijn
    • Rijksbreed ambtelijk afstemmingsoverleg marien
    • Begeleidingsgroep evaluatie, contouren en landelijk aanvalsplan
    LVVN sluit momenteel aan bij externe overleggen:
    • Bilateraal contact met Taakgroep Exoten van de provincies
    • Jaarlijks landelijk exotenoverleg provincies
    • VBNE-werkgroep plaagsoorten en invasieve exoten
    • LTO-werkgroep invasieve exoten van Vakgroep Bomen, Vaste Planten en Zomerbloemen
    • Bilateraal contact met aanspreekpunt UvW
    • Bilateraal contact met aanspreekpunt NEC-E
    • Interdepartementaal coördinatieoverleg (voor IUS die niet alleen LVVN aangaan)
    Afstemming en besluitvorming tussen LVVN en medeoverheden vindt op bestuurlijk niveau plaats via het Bestuurlijk Overleg Natuur en de Commissie Fysieke Leefomgeving.

Bijlage 6 Overzicht van Unielijstsoorten in een vroeg stadium van introductie waarvoor eliminatieplicht geldt (artikel 17)

Soortnaam zoogdieren Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak
Amerikaanse voseekhoorn
(Sciurus niger) Status onbekend. Elimineren bij waarneming.
Axishert (Axis axis) Status onbekend. Elimineren bij waarneming.
Grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) Status onbekend. Elimineren bij waarneming.
Indische mangoeste (Herpestes javanicus) Niet aanwezig in Nederland. Soort wordt ook niet verwacht. Elimineren bij waarneming.
Muntjak
(Muntiacus reevesi) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
Inzet op grensoverstijgende samenwerking met België waar de soort ook bij de grens met Nederland voorkomt.
Pallas’ eekhoorn
(Callosciurus erythraeus) Aanwezig in Nederland of in het verleden aanwezig geweest. Elimineren bij waarneming.
Mogelijk aanwezig in Nederland, provincies zijn daarom alert. In 2023 was een laatste waarneming in Tilburg.
Rode neusbeer (Nasua nasua) Niet aanwezig in Nederland. Soort wordt ook niet verwacht. Elimineren bij waarneming.
Thaise eekhoorn
(Callosciurus finlaysonii) Niet aanwezig in Nederland. De soort wordt ook niet verwacht. Elimineren bij waarneming.
Wasbeer
(Procyon lotor) Aanwezig in Nederland. Alle provincies organiseren (al dan niet gezamenlijk) opdrachten voor volledige verwijdering uit het milieu. Door de dieren nu volledig te verwijderen uit het milieu wordt voorplanting voorkomen. Daarmee wordt het grootschalig doden en dierenleed in latere jaren voorkomen. Ambitie/inspanningsverplichting: provincies spannen zich in voor volledige eliminatie van de Nederlandse populatie wasberen in 2027.
De provincies beperken hun inzet niet tot het alleen toestaan en mogelijk maken van beheer door jagers. Via opdrachten wordt bestrijding actief georganiseerd, tevens met inzet van nachtkijkers via maatwerkvoorschrift.
Met het oog op de lange termijn doelstelling van volledige eliminatie en de verwachte nieuwe instroom van wasberen vanuit buurlanden, maken de provincies een start met de organisatie en financiering van gezamenlijk intensief beheer in de grensstreek om nieuwe instroom van wasberen te voorkomen en direct te verwijderen uit het milieu. Provincies maken daarbij tevens afspraken met waterschappen over de omgang met bijvangst van wasberen in beverratkooien.
Naast bilaterale regionale samenwerking van grensprovincies met buurlanden (België en Duitse deelstaten) in de aanpak van wasberen, nemen provincies ook deel aan grens overstijgende samenwerking op landelijk niveau (met LVVN en waterschappen) met buurlanden en deelstaten.
Soortnaam vogels
Heilige ibis
(Threskiornis aethiopicus) Aanwezig in Nederland. Betreft vooral individuele dieren (dwaalgasten). Pro-actief opsporen en lokaliseren en elimineren indien sprake is van meerdere exemplaren (risico op voortplanting broedparen).
Huiskraai
(Corvus splendens) Aanwezig in Nederland of in het verleden aanwezig geweest. Elimineren bij waarneming.
De huiskraai is volledig verwijderd uit het milieu.
Roodbuikbuulbuul
(Pycnonotus cafer) Niet aanwezig in Nederland. Soort wordt ook niet verwacht. Elimineren bij waarneming.
Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis) Aanwezig in Nederland. Jaarrond inzet van álle provincies, dus eliminatie niet alleen in grote wateren tijdens winter/verzamelperiode. Hiervoor geldt een harde deadline vanuit de Bern-conventie. Doelstelling: volledige eliminatie in 2027.
Door de dieren nu volledig te verwijderen uit het milieu wordt voorplanting voorkomen. Daarmee wordt het grootschalig doden en dierenleed in latere jaren voorkomen.
Alle provincies organiseren opdrachten voor volledige verwijdering uit het milieu (dodelijke of niet-dodelijke eliminatie). De provincies beperken hun inzet niet tot het alleen mogelijk maken en toestaan van beheer door jagers. Via opdrachten wordt opsporing en bestrijding actief georganiseerd.
Treurmaina
(Acridotheres tristis) Aanwezig in Nederland. Losse eenmalige waarnemingen. Doelstelling: volledige eliminatie.

Soortnaam vissen en Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak zoetwater invertebraten
Amoergrondel (Percottus
glenii) Status onbekend.
Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
(geen Nederlandse naam) Channa argus Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
(geen Nederlandse naam) Gambusia affinis Niet aanwezig. Eventueel verwacht (klimaatverandering). Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
(geen Nederlandse naam) Gambusia holbrooki Niet aanwezig. Eventueel verwacht (klimaatverandering). Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
Gouden mossel
(Limnoperna fortunei) Niet aanwezig. Eventueel verwacht (klimaatverandering). Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
Soortnaam vissen en zoetwater invertebraten Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak
Zwarte dwergmeerval (Ameiurus melas) Niet aanwezig. Eventueel verwacht (klimaatverandering). Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
Soortnaam reptielen en Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak amfibieën
Afrikaanse klauwkikker (Xenopus laevis) Aanwezig in Nederland of in het verleden aanwezig geweest.
Deze soort is nog niet in het Bkl opgenomen, de overdracht moet nog plaatsvinden. Provincies blijven alert op signaleringen.
Amerikaanse stierkikker
(Lithobates catesbeianus) (Synoniem:
Rana catesbeiana) Niet aanwezig in Nederland wel in het verleden aanwezig geweest. Volledig verwijderd uit het milieu.
Inzet op grensoverstijgende samenwerking met België waar de soort ook bij de grens met Nederland voorkomt.
• LVVN laat betreffende gebieden tweejaarlijks monitoren op mogelijke nieuwe introducties.
• LVVN en provincie Noord-Brabant zoeken afstemming met België teneinde nieuwe instroom vanuit België te voorkomen.
Gewone koningsslang
(Lampropeltis getula) Niet aanwezig in Nederland. De soort wordt ook niet verwacht. Provincies beperken eliminatie niet tot de gewone koningsslang. Ook andere exotische slangen die worden waargenomen en een risico voor de inheemse biodiversiteit vormen, worden uit de natuur verwijderd. Bestrijding van overlast in de bebouwde omgeving is geen provinciale verantwoordelijkheid.

Soortnaam insecten en Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak platwormen
Dwergvuurmier
(Wasmannia auropunctata) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Mochten deze soorten zich in de toekomst toch vestigen dan zullen provincies alleen acteren bij een direct risico voor de inheemse biodiversiteit. Bestrijding van overlast in de bebouwde omgeving is geen provinciale verantwoordelijkheid.
Rode vuurmier (Solenopsis invicta) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Mochten deze soorten zich in de toekomst toch vestigen dan zullen provincies alleen acteren bij een direct risico voor de inheemse biodiversiteit. Bestrijding van overlast in de bebouwde omgeving is geen provinciale verantwoordelijkheid.
Nieuw-Zeelandse landplatworm (Arthurdendyus triangulatus) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Zolang geen effectieve en betaalbare bestrijdingsmethoden beschikbaar zijn, kan indien de soort zich in de toekomst nieuw vestigt in Nederland een beroep worden gedaan op artikel 18 van de exotenverordening.
(geen Nederlandse naam)
Solenopsis richteri Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Mochten deze soorten zich in de toekomst toch vestigen dan zullen provincies alleen acteren bij een direct risico voor de inheemse biodiversiteit. Bestrijding van overlast in de bebouwde omgeving is geen provinciale verantwoordelijkheid.
Tropische vuurmier (Solenopsis geminata) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Mochten deze soorten zich in de toekomst toch vestigen dan zullen provincies alleen acteren bij een direct risico voor de inheemse biodiversiteit. Bestrijding van overlast in de bebouwde omgeving is geen provinciale verantwoordelijkheid.
Soortnaam terrestrische planten
Amerikaans bezemgras (Andropogon virginicus) Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Ballonrank (Cardiospermum grandiflorum) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Boomwurger
(Celastrus orbiculatus) Aanwezig in Nederland. Soort komt op 2-8-2027 op de Unielijst. Plant is volledig verwijderd uit het Lauwersmeergebied (beheer door SBB). Provincies blijven alert op aanwezigheid en vooruitlopend op overgangstermijn wel al bestrijden waar aanwezig.
Als in tuinen: wél verwijderen in goed overleg met eigenaar.
Chinese struikklaver (Lespedeza cuneata) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Fraai lampenpoetsergras
(Pennisetum setaceum) (synoniem: Cenchrus setaceus) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Gestekelde duizendknoop
(Persicaria perfoliata) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Hakea
(Hakea sericea) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Elimineren bij waarneming.
Hoog pampagras
(Cortaderia jubata) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Elimineren bij waarneming.
Japanse klimvaren (Lygodium japonicum) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering).
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Japans steltgras
(Microstegium vimineum) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Elimineren bij waarneming.
Kudzu
(Pueraria montana var. Lobata) Niet aanwezig, eventueel verwacht (klimaatverandering). Elimineren bij waarneming.

Soortnaam terrestrische Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak planten
Mesquite
(Prosopis juliflora) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Oosterse hop
(Humulus scandens) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Perzische berenklauw (Heracleum persicum) Niet aanwezig. Eventueel verwacht (klimaatverandering). Elimineren bij waarneming.
Roze rimpelgras (Ehrharta calycina) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Schijnambrosia
(Parthenium hysterophorus) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Sosnowsky’s berenklauw (Heracleum sosnowskyi) Niet aanwezig in Nederland, eventueel verwacht (klimaatverandering). Elimineren bij waarneming.
Struikaster
(Baccharis halimifolia) Niet aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
Talgboom
(Triadica sebifera) Niet aanwezig in Nederland, eventueel verwacht (klimaatverandering). Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Wilgacacia
(Acacia saligna) Niet aanwezig in Nederland, eventueel verwacht (klimaatverandering). Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Soortnaam water- en oeverplanten
Alligatorkruid
(Alternanthera philoxeroides) Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Grote vlotvaren (Salvinia molesta) Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.
Smalle theeplant (Gymnocorons spilanthoides) Status onbekend. Elimineren bij waarneming
In verleden volledig verwijderd uit milieu, provincies blijven alert op herbesmetting.
Waterhyacint
(Eichhornia crassipes) Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming.

Overige soorten Unielijst Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak
(dit betreft soorten die niet aan de provincies zijn overgedragen en niet in het Bkl zijn opgenomen)
Amerikaanse zeebaars (Morone americana) Niet aanwezig in Nederland, kan in de toekomst wel voorkomen. Is niet overgedragen aan provincies, want kan voorkomen in zowel zoutwater als zoetwater en is daarom een gedeelde verantwoordelijkheid van het ministerie van LVVN en de provincies.
Beverrat
(Myocastor coypus) Aanwezig in Nederland.
De waterschappen hebben een wettelijke bestrijdingstaak voor deze soort. Inzet van grenswaterschappen, Unie van waterschappen en LVVN op grensoverstijgende samenwerking met Duitse deelstaten in grensstreek en België over de aanpak van beverratten.
Volledige eliminatie in Nederland bereikt. Inzet waterschappen is gericht op beheersen van de instroom uit buurlanden. Belang van het gezamenlijk met buurlanden organiseren en financieren van intensief beheer in grensstreek om instroom te voorkomen.
Status wijzigingen van artikel 19 naar artikel 17 (LVVN notificeert EC).
(geen Nederlandse naam)
Fundulus heteroclitus Niet aanwezig in Nederland, kan in de toekomst wel voorkomen. Is niet overgedragen aan provincies, want kan voorkomen in zowel zoutwater als zoetwater en is daarom een gedeelde verantwoordelijkheid van het ministerie van LVVN en de provincies.
Gestreepte koraalmeerval (Plotosus lineatus) Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Het ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor het treffen van bestrijdingsmaatregelen mocht deze soort zich toch voordoen.
(geen Nederlandse naam) Rugulopteryx okamurae Niet aanwezig in Nederland, wordt ook niet verwacht. Het ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor het treffen van bestrijdingsmaatregelen mocht deze soort (een zeewier) zich voordoen.
Bijlage 7 Overzicht van gevestigde en wijdverspreide Unielijstsoorten waartegen beheersmaatregelen getroffen worden (artikel 19) onder voorbehoud van financiering
In het overzicht hieronder staat vermeld welke soorten van de Unielijst gevestigd en wijdverspreid zijn en waartegen lidstaten beheersmaatregelen dienen te treffen (artikel 19). In de derde kolom van het overzicht staan de landelijke afspraken vermeld die tussen LVVN en provincies zijn gemaakt over de voorgestelde inzet van de provincies.
Het beschikbare budget van circa 7,3 miljoen euro dat voor 2025 en 2026 beschikbaar is gesteld aan de provincies wordt ingezet op de soorten, ambities en doelstellingen in de kolom ‘landelijke afspraken’ die vetgedrukt zijn. Dit zijn gevestigde en wijdverspreide soorten waarvan eliminatie toch nog haalbaar lijkt. Voor de overige landelijke afspraken is geen extra financiering vrijgemaakt of geoormerkt, en is het de vraag of dit uit andere natuurgelden (Natuurpact of programma Natuur of anderszins) gefinancierd kan worden.

Soortnaam zoogdieren Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak
Siberische grondeekhoorn
(Tamias sibiricus) Aanwezig in Nederland.
Populatie in Tilburg wordt gedoogd wegens lage impact en verdere verspreiding. Uit natuur onttrekken wanneer soort zich wel invasief gaat gedragen. Elimineren bij waarneming.
Gezien eliminatie-ambitie van provincies populaties in Tilburg en Weert wel verwijderen uit het milieu. Onderzoeken of dieren met maatwerkvoorschrift bij opvangcentrum of dierentuin terecht kunnen. Daarbij maatregelen treffen tegen voortplanting, deadline 2027.
Na volledige eliminatie status wijzigingen van artikel 19 naar artikel 17 (LVVN notificeert EC).
Wasbeerhond
(Nyctereutes procyonoides) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
Aantallen zijn nog relatief laag en volledige eliminatie is nog mogelijk. Alle provincies organiseren (al dan niet gezamenlijk) opdrachten voor volledige verwijdering uit het milieu. Door de dieren nu volledig te verwijderen uit het milieu wordt voorplanting voorkomen. Daarmee wordt het grootschalig doden en dierenleed in latere jaren voorkomen.
Landelijke ambitie/ inspanningsverplichting om volledige eliminatie proactief na te streven:
Alle provincies organiseren opdrachten voor het opsporen en lokaliseren van wasbeerhonden en volledige verwijdering uit het milieu (dodelijke of niet-dodelijke eliminatie). Door de dieren nu volledig te verwijderen uit het milieu wordt voorplanting voorkomen. Daarmee wordt het grootschalig doden en dierenleed in latere jaren voorkomen. Doelstelling: volledige eliminatie in 2027.
De provincies beperken hun inzet niet tot het alleen mogelijk maken / toestaan van beheer door jagers. Via opdrachten wordt bestrijding actief georganiseerd, tevens met inzet van nachtkijkers (via maatwerkvoorschrift).
Met het oog op de lange termijn doelstelling van volledige eliminatie en de verwachte nieuwe instroom van wasbeerhonden vanuit buurlanden, organiseren en financieren De provincies gezamenlijk intensief beheer in grensstreek om nieuwe instroom van wasbeerhonden te voorkomen en direct te verwijderen uit het milieu.
Provincies maken daarbij tevens afspraken met waterschappen over de omgang met bijvangst van wasbeerhonden in beverratkooien.
Naast bilaterale samenwerking van grensprovincies met buurlanden (België en Duitse deelstaten) in de aanpak van wasbeerhonden, nemen provincies ook deel aan grensoverstijgende samenwerking op landelijk niveau (met LVVN en waterschappen) met buurlanden en deelstaten.
Lettersierschildpad (Trachemys scripta)
3 ondersoorten:
Geelbuikschildpad
(Trachemys scripta scripta) Geelwangschildpad
(Trachemys scripta troostii)
Roodwangschildpad
(Trachemys scripta elegans) Aanwezig in Nederland.
Lettersierschildpadden kunnen zich momenteel in Nederland niet voortplanten. De soort wordt daarom meestal getolereerd. Lokaal kan er echter wel schade aan biodiversiteit optreden waardoor het nodig kan zijn de soort lokaal te elimineren. In het Nederlandse milieu bevinden zich grote aantallen lettersierschildpadden waarvan een deel door burgers naar opvangcentra wordt gebracht.
Opvangcentra zoeken financiering voor het opvangen van invasieve exoten. Vanuit het exotenbeleid (van LVVN en provincies) is hiervoor geen financiering beschikbaar.
Soortnaam vogels
Nijlgans
(Alopochen aegyptiacus) Aanwezig in Nederland. Aantallen reguleren.
Afschot van Nijlganzen door het hele jaar heen wordt voor alle provincies (juridisch) geregeld, zodat meer sturing op de doelstelling mogelijk wordt. Concretiseren van ‘aantallen reguleren’ door afspraak over inspanningsverplichting om jaarlijks reductie van 10% van de populatie na te streven.
Met als einddoelstelling voor de langere termijn: “reductie van de populatie Nijlganzen in Nederland”. Dit tevens met het oog op dierenwelzijn en ethiek op lange termijn. Het betreft immers een invasieve exoot (instandhouding van populatie is ongewenst) en geen beschermde soort (waarbij een gunstige staat van instandhouding wordt nagestreefd).
Provincies laten periodiek uitrekenen hoe de verspreiding/aantallen van Nijlganzen zich ontwikkelen, zodat op die aantallen actief kan worden gestuurd. Provincies pakken regierol op ten aanzien van gebiedspartners (waaronder gemeenten en TBO’s) om preventie van voortplanting en actief beheer in bebouwde omgeving (wegvangen) te stimuleren.
Jaarlijks worden gewonde en zieke Nijlganzen naar opvangcentra gebracht. Vanuit het exotenbeleid (LVVN en provincies) is voor opvang van invasieve exoten geen financiering beschikbaar. Het betreft in het wild levende invasieve exoten die door burgers worden gevonden en afgeleverd bij opvangcentra.
Opvangcentra mogen gevonden Nijlganzen weigeren. Gewonde en zieke Nijlganzen mogen op deskundige wijze worden gedood. Opvangcentra mogen Nijlganzen alleen permanent opvangen indien hiervoor een maatwerkvoorschrift is verstrekt. Het na opvang weer vrijlaten van Nijlganzen is verboden. Het dierenwelzijn is van doorslaggevende betekenis bij de keuze tussen permanente huisvesting en euthanasie. De zorgplichten van de Wet dieren en de Omgevingswet bieden de mogelijkheid om euthanasie uit te voeren.
Provincies zetten zich in om afspraken te maken met wildopvangcentra die openstaan voor de overdracht van gevonden Nijlganzen. Dit teneinde gevonden en opgevangen Nijlganzen in opdracht van de provincie periodiek te laten op halen en (op verantwoorde wijze) te laten doden door deskundigen. Dit kan worden gezien als onderdeel van te treffen beheermaatregelen tegen Nijlganzen. Provincies kunnen het afvoeren en doden van Nijlganzen mogelijk gezamenlijk organiseren en financieren.

Soortnaam vissen Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak
Blauwband
(Pseudorasbora parva) Aanwezig in Nederland.
Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.
Zonnebaars
(Lepomis gibbosus) Aanwezig in Nederland.
Voor open water ontbreekt een handelingsperspectief. In gesloten water: lokaal elimineren. In open water: nader te bepalen.

Soortnaam reptielen Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak

Soortnaam insecten
Aziatische hoornaar (Vespa velutina) Aanwezig in Nederland.
Ondanks forse inspanningen lukt het niet de opmars van deze soort te stuiten. Vooralsnog zetten de provincies (tenminste de komende twee jaar) in op het vertragen van de opmars van de Aziatische hoornaar richting het noorden. De noordoostelijke provincies zetten in deze periode in op volledige bestrijding. Afhankelijk van de beschikbare middelen en de voortgang van de verspreiding kan besloten worden de ambitie af te schalen. Lokaal elimineren/bestrijden
Provincies zetten sterker in op voorlichting aan gemeenten, groenbeheerders en andere doelgroepen zoals burgers (imkers) en professionele bestrijders over afschaling van de provinciale inzet en verschuiving van de (veilige) aanpak van Aziatische hoornaar naar deze partijen.
Provincies zoeken afstemming met hun gebiedspartners om samenwerking, kennisdeling over veilige en toegestane bestrijdingsmethoden, vrijwillige opsporing en professionele bestrijding te stimuleren.
LVVN gaat hiertoe het gesprek aan met de ministeries van IenW, VWS en VRO in het interdepartementaal afstemmingsoverleg plaagsoorten, omdat er parallellen zijn met andere plaagsoorten zoals de eikenprocessierups. Vergelijkbare inzet vanuit het Rijk lijkt wenselijk onder meer door faciliteren communicatie over regelgeving, risico’s en aanpak van de soort, het valideren van (veilige) bestrijdingsmethoden en afstemming met gemeenten op landelijk niveau.

Soortnaam terrestrische Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak planten
Afghaanse duizendknoop
(Persicaria wallichii) (synoniem: Koenigia polystachya) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming
Gewone gunnera (Gunnera
tinctoria) Aanwezig in Nederland.
Deze soort kan zich in het huidige klimaat niet vestigen in de natuur. Elimineren bij waarneming
Provincies spannen zich in om alle planten te verwijderen en streven volledige eliminatie (inclusief meerjarige nazorg) na in 2030. Als in tuinen aanwezig: wél verwijderen in goed overleg met eigenaar.
Hemelboom
(Ailanthus altissima) Aanwezig in Nederland.
Bestrijding kan bestaan uit het bestrijden van één geslacht van de boom omdat het om een tweehuizige soort gaat. Selectief het mannelijke geslacht verwijderen uit het milieu. Vergt inzet van provincies en gemeenten, want vooral op gemeentelijke gronden (bermen en plantsoenen). Provincies pakken regierol op ten aanzien van gebiedspartners om actief beheer te stimuleren; met name het gesprek aangaan met eigen gemeenten over meer pro-actieve aanpak van hemelbomen:
• gemeenten aanspreken op het wél verstrekken van kapvergunningen (denk aan casus waar gemeente Den Haag een kapvergunning weigerde en rechter daar in mee ging).
• afspraken maken met VNG/gemeenten; voorrang geven aan bestrijding in de buurt van natuur.
Alle water en oeverplanten Aanwezig in Nederland. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de primaire taak belemmeren, dus water aan- en afvoer en waterkwaliteit. Een deel van de bestrijdingskosten zal dus ook door het waterschap worden gedragen.
Grote waternavel
(Hydrocotyle ranunculoides) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Provincies gaan inspanningsverplichting aan om deze waterplant te elimineren en verdere verspreiding tegen te gaan indien verspreiding van deze waterplant van een watersysteem naar een ander watersysteem dreigt en de planten daardoor in een natuurgebied terecht kunnen komen. Bestrijdingskosten zijn hoog voor provincies en waterschappen. Meer inzet op samenwerking met de waterschappen en RWS om bestrijding beter op elkaar af te stemmen en de aanpak van boven- naar benedenstrooms te organiseren om herbesmetting te voorkomen. Tevens afspraken met partners om onbedoelde verspreiding te minimaliseren (gebruik van hygiëne protocollen).
Soortnaam terrestrische planten
Reuzenbalsemien
(Impatiens glandulifera) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren/bestrijden
Volledige eliminatie is niet aan de orde, maar wel betere samenwerking mogelijk tussen terreinbeheerders om tot effectievere beheersmaatregelen/ slimmere aanpak te komen.
Provincies spannen zich voor samenwerking met provinciale gebiedspartners, met regionale partners en tussen provincies om tot meer gerichte en afgestemde inzet van bestrijding te komen in en aangrenzend aan natuurgebieden.
Daar waar de soort natuurwaarden aantast verspreidingsbronnen gericht aanpakken langs wandel- fietspaden, kanalen, (water-) wegen. Zaden stromen mee met water waardoor bestrijding stroomafwaarts geen zin heeft als stroomopwaarts niet wordt ingegrepen.
Ontwikkeling van datasysteem dat voor beheerders inzichtelijk maakt waar bekende groeiplaatsen en wie waar bestrijdt. Naar voorbeeld van: https://maps. amsterdam.nl/duizendknoop/.
Uiterlijk in 2027 passen tenminste alle overheden een handelings- of hygiëne protocol toe om verdere verspreiding te voorkomen.
Reuzenberenklauw
(Heracleum mantegazzianum) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren/bestrijden
Volledige eliminatie is niet aan de orde, maar wel betere samenwerking mogelijk tussen terreinbeheerders om tot effectievere beheersmaatregelen/ slimmere aanpak te komen.
Provincies spannen zich voor samenwerking met provinciale gebiedspartners, met regionale partners en tussen provincies om tot meer gerichte en afgestemde inzet van bestrijding te komen in en aangrenzend aan natuurgebieden.
Daar waar de soort natuurwaarden aantast verspreidingsbronnen gericht aanpakken langs wandel- fietspaden, kanalen, (water-) wegen. Zaden stromen mee met water waardoor bestrijding stroomafwaarts geen zin heeft als stroomopwaarts niet wordt ingegrepen.
Ontwikkeling van datasysteem dat voor beheerders inzichtelijk maakt waar bekende groeiplaatsen en wie waar bestrijdt. Naar voorbeeld van: https://maps. amsterdam.nl/duizendknoop/.
Uiterlijk in 2027 passen tenminste alle overheden een handelings- of hygiëne protocol toe om verdere verspreiding te voorkomen.
Zijdeplant
(Asclepias syriaca) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
De zijdeplant heeft nog een beperkte verspreiding en eliminatie is nog mogelijk. Ingeschatte kosten (in provinciaal ambitiedocument) voor volledige eliminatie liggen hoger dan het budget dat LVVN beschikbaar stelt in 2025 en 2026.
Provincies spannen zich in om alle planten te verwijderen en streven volledige eliminatie (inclusief meerjarige nazorg) na in 2030. Als in tuinen aanwezig: wél verwijderen in goed overleg met eigenaar.

Soortnaam water en Aanwezigheid in Nederland Landelijke afspraak oeverplanten
Soortnaam water en oeverplanten
Kleine waterteunis-bloem (Ludwigia peploides) Aanwezig in Nederland.
De eliminatie vergt een zeer hoge inspanning. De provincies willen blijven inzetten op eliminatie maar lokaal kan deze doelstelling te hoog blijken. Elimineren bij waarneming.
Is nu nog te bestrijden. Met uitzondering van de Maas en Tiengemeten is deze soort nog niet sterk verspreid. De verspreiding lijkt snel toe te nemen, wat noodzaakt tot vroege eliminatie van de waterplant waar deze op nieuwe locaties opduikt.
Provincies spannen zich in om deze waterplant te verwijderen en streven volledige eliminatie (inclusief meerjarige nazorg) na. Deze waterplant is zeer hardnekkig en vereist veel nazorg.
In sommige gevallen kan eliminatie door bestrijding niet haalbaar blijken en kan een alternatieve aanpak worden onderzocht van bijvoorbeeld isolatie
(tegengaan verspreiding), weerbaar maken van het eco-systeem (soort ondergeschikt maken aan dominante inheemse soorten) of versnelde successie (tijdelijke wijziging van het habitattype).
Inzet op grensoverstijgende samenwerking met buurlanden indien de soort ook in rivieren en watergangen voorkomt die Nederland binnenstromen.
Moeraslantaarn
(Lysichiton americanus) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
Lijkt zich nu nog niet zo sterk te verspreiden, maar de zaden kunnen meedrijven op het water. Soort is goed te bestrijden. Daarom spannen provincies zich in om deze waterplant te verwijderen en streven volledige eliminatie (inclusief meerjarige nazorg) na in uiterlijk 2027.
Inzet op grensoverstijgende samenwerking met buurlanden indien de soort ook in rivieren en watergangen voorkomt die Nederland binnenstromen.
Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Parelvederkruid
(Myriophyllum aquaticum) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Smalle waterpest
(Elodea nuttallii) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Verspreidbladige waterpest
(Lagarosiphon major) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Watersla
(Pistia stratiotes) Aanwezig in Nederland. Elimineren bij waarneming.
Waterteunisbloem
(Ludwigia grandiflora) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Waterwaaier
(Cabomba caroliniana) Aanwezig in Nederland. Lokaal elimineren.
Overige soorten Unielijst
(dit betreft soorten die niet aan de provincies zijn overgedragen en niet in het Bkl zijn opgenomen)
Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus) Aanwezig in Nederland De inzet van provincies gaat zich uitsluitend richten op de aanpak van uitheemse rivierkreeften in natuurgebieden binnen en buiten N2000-gebieden. Het hiervoor ingeschatte benodigde budget (36 miljoen euro) is vooralsnog niet gehonoreerd.
Deze soort is niet aan de provincies overgedragen en de soort is niet in het Bkl opgenomen. Het ministerie van LVVN is op grond van de Exotenverordening verantwoordelijk voor het treffen van beheersmaatregelen.
Binnen het programma OBUR wordt met betrokken stakeholders verder naar een kosteneffectieve beheersingsaanpak gezocht. Bestuurlijke afstemming over de governance verloopt via een separaat traject.
Chinese wolhandkrab
(Eriocheir sinensis) Aanwezig in Nederland. Het ministerie van LVVN is op grond van de Exotenverordening verantwoordelijk voor het treffen van beheersmaatregelen.
Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft
(Faxonius virilis) (Synoniem: Orconectes Virilis) Aanwezig in Nederland. Idem als bij Californische rivierkreeft.
Gevlekte Amerikaanse
rivierkreeft (Faxionius limosus) (Synoniem: Orconectes limosus) Aanwezig in Nederland. Idem als bij Californische rivierkreeft.
Marmerkreeft
(Procambarus virginalis) (Synoniem: Procambarus
fallax f. virginalis)
Muskusrat
(Ondatra zibethicus) Aanwezig in Nederland. Idem als bij Californische rivierkreeft.
Aanwezig in Nederland.
De waterschappen hebben een wettelijke bestrijdingstaak voor deze soort. Inzet van grenswaterschappen, Unie van Waterschappen en LVVN op grensoverstijgende samenwerking met Duitse deelstaten in grensstreek en België over de aanpak van muskusratten.
Doelstelling op lange termijn is volledige eliminatie in Nederland. Inzet van waterschappen is tevens gericht op beheersen van de instroom uit buurlanden (en uitstroom naar buurlanden). Belang van gezamenlijk met buurlanden organiseren en financieren van intensief beheer in grensstreek om instroom te voorkomen.
Rode Amerikaanse rivierkreeft
(Procambarus clarkii) Aanwezig in Nederland. Idem als bij Californische rivierkreeft.

Bijlage 8 Nieuwe soorten van de Unielijst per 7 augustus 2025
Voor deze 26 soorten dient nog besluitvorming plaats te vinden en afstemming met de provincies over welke soorten voor overdracht aan de provincies in aanmerking komen (per AMvB). Daarbij zal onder meer gekeken worden naar welke status (artikel 17 of artikel 19) deze soorten dienen te krijgen, handelingsperspectief en wordt een inschatting van uitvoeringskosten gemaakt (financiering).
Soortnaam zoogdieren
Amerikaanse nerts (Neogale vison)*
Canadese bever (Castor canadensis)*
Sikahert (Cervus nippon)
Soortnaam vogels
Kuifmaina (Acridotheres cristatellus)
Roodoorbuulbuul (Pycnonotus jocosus)
Soortnaam vissen en zoetwater invertebraten
Aziatische modderkruiper (Misgurnus anguillicaudatus)
Calicotrivierkreeft (Faxonius immunis)
Chinese moerasslak (Cipangopaludina chinensis)
Grote posthorenappelslak (Marisa cornuarietis)
Jabbie (Cherax destructor)
Noord-Aziatische modderkruiper (Misgurnus bipartitus)
Soortnaam terrestrische invertebraten
Aziatische staafmier (Brachyponera chinensis)
Grote gevlekte landplatworm (Obama nungara)
Hamerhoofdplatworm (Bipalium kewense)
Nieuw-Guineese landplatworm (Platydemus manokwari)
Reuzenhoornaar (Vespa mandarinia)
Soortnaam terrestrische planten
Basterdduizendknoop (Fallopia x bohemica) (Synoniem: Reynoutria × bohemica)
Bleekgele acacia (Acacia mearnsii)
Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) (Synoniem: Reynoutria japonica)
Klimopkruiskruid (Delairea odorata)
Papiermoerbei (Broussonetia papyrifera)
Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis) (Synoniem: Reynoutria sachalinensis)
Soortnaam water- en oeverplanten
Watercrassula (Crassula helmsii)
Soortnaam mariene soorten
Amerikaanse strandschelp (Mulinia lateralis)
Japans dwergzeegras (Nanozostera japonica)
Japanse zeester (Asterias amurensis)

  • Voor de Amerikaanse nerts en de Canadese bever gaan de regels van de Europese Exotenverordening in op 7 augustus 2027.
    93 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

Bijlage 9 Generieke landelijke afspraken

Onderwerp Ambitie Landelijke afspraak
Eliminatie bij
waarneming Sluitende formulering van de term ‘eliminatie bij waarneming’ en harde afspraak hierover (van toepassing op bijlagen 6 en 7 daar waar provincies ‘eliminatie bij waarneming’ als bestrijdingsambitie en -strategie hanteren). Eliminatie is het permanent verwijderen van een soort uit het milieu (op dodelijke of niet-dodelijke wijze). ‘Eliminatie bij waarneming’ dient actief vorm te krijgen. Dat wil zeggen dat naast het ontvangen van waarnemingen uit het systeem van monitoring en vroege signalering (onder meer via Waarneming.nl, NDFF en meldpunten voor specifieke soorten) provincies zich actief inspannen om soorten op te (laten) sporen en lokaliseren indien bekend is dat een soort zich in het milieu bevindt. Dit geldt voor alle soorten waarvoor in bijlagen 6 en 7 eliminatie als doelstelling (artikel 17 of artikel 19E) van toepassing is. Vervolgens wordt het proactief verwijderen van de planten of dieren uit het milieu georganiseerd via een verwijderopdracht. In het geval van dieren betekent dit dat naast het toestaan van beheer door jagers ook actief via opdrachten dieren (de populatie) uit het milieu worden verwijderd.
Juridisch organiseren van bestrijding Alle provincies hebben bestrijding juridisch geregeld. Bestrijding van invasieve exoten (met name dieren) juridisch regelen. Dit vergt momenteel werk en besluitvorming per provincie:
• voor zaken als vangkooien gaat het om maatwerkvoorschrift op grond van 11.24 en 11.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Provincies kunnen hiermee gebruik van geweer of ander middel (zoals een vangkooi) regelen voor een specifieke uitvoerder en hier voorwaarden aan verbinden die verantwoord gebruik mogelijke maken. De gedoogplicht (toegang tot een terrein) wordt geregeld bij besluit op grond van artikel 10.29 Ow. Gezien de decentralisatie van het natuurbeleid ligt het voor de hand dat dit bevoegdheden blijven van de provincies.
• een privaatrechtelijke opdracht is nodig als het gaat om gebruik van het geweer (gelet op 11.75, lid 1 onder c van het Bal en mits men een omgevingsvergunning voor een jachtgeweer-activiteit heeft). Dit betekent dat momenteel twaalf provincies per individuele partij en voor iedere soort een opdracht dienen te verstrekken, voordat geschoten mag worden. Hierdoor wordt het geweer nog nauwelijks ingezet tegen (wijd verspreide) invasieve exoten.
Het gebruik van het geweer kan juridisch beter en slimmer worden geregeld. In het ambitiedocument verzoeken de provincies daarom om een landelijke aanwijzing voor faunasoorten waarbij bestrijding met het geweer het meest effectief is. De uitvoering kan daarmee worden vereenvoudigd, administratieve lasten verminderd en de vergunningsvoorwaarden voor uitvoerders landelijk uniform worden gemaakt.
Voorstel:
Door LVVN wordt gewerkt aan het mogelijk maken van een ministeriële regeling met een lijst van aangewezen soorten waarbij jagers in heel Nederland toestemming krijgen om op hun jachtveld invasieve exoten te schieten, nodig, haalbaar en uitvoerbaar is. Dit zou eveneens onder artikel 11.75, lid 1 onder c van het Bal kunnen worden geregeld. Indien dat het geval is wordt deze ministeriële regeling ook opgesteld en ter besluitvorming voorgelegd.
Financieel gezamenlijk organiseren van bestrijding De provincies hebben bestrijding voor een aantal mobiele invasieve exoten gezamenlijk georganiseerd en gefinancierd. Voor aantal (zeer mobiele) invasieve exoten wordt de verwijderopdracht gezamenlijk landelijk georganiseerd en gefinancierd (eventueel direct uit het Provinciefonds). Dit kan in de vorm van een programma waarin per soort tot een gezamenlijke aanpak wordt besloten, waarbij de eliminatieopdracht, juridische aspecten, monitoring, communicatie en meldpunten integraal worden georganiseerd en gefinancierd.
Soorten met een eliminatiedoelstelling die hiervoor in aanmerking komen: wasbeer, wasbeerhond, muntjak, kleine waterteunisbloem.
Ook voor meer wijdverspreide soorten zoals Nijlgans en Aziatische hoornaar is het wenselijk om de beheersmaatregelen interprovinciaal te organiseren.
Draaiboeken Voor twaalf hoog risico-soorten met status artikel 17 liggen draaiboeken voor opsporing en vroege eliminatie klaar en zijn alle voorbereidingen getroffen zodat direct na signalering effectief kan worden ingegrepen. Maken van draaiboeken voor aantal invasieve exotensoorten ter voorbereiding op eerste introductie en waarneming in het milieu. Provincies pakken dit gezamenlijk op, bijvoorbeeld door iedere provincie voor een specifieke soort een draaiboek op te laten stellen. Een draaiboek bevat onder meer relevante partijen, globale actielijn, soortinformatie, bestrijdingsopties, juridische aspecten, research internationale kennis. Vervolgens kunnen alle twaalf provincies gebruik maken van het draaiboek. Ook kunnen draaiboeken worden opgesteld die op meerdere invasieve exoten van toepassing zijn. Tenminste voor de volgende soorten worden draaiboeken opgesteld en de (juridische) voorbereidingen in de organisatie getroffen zodat direct tot eliminatie kan worden overgegaan:
• Afrikaanse klauwkikker
• Amerikaanse stierkikker
• dwergvuurmier, rode vuurmier, Solenopsis richteri en tropische vuurmier.
94 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

Onderwerp Ambitie Landelijke afspraak
Regierol provincies Betere samenwerking en afstemming tussen provincies en gebiedspartners in de preventie en aanpak van invasieve exoten In alle gevallen, waar van toepassing, pakken de provincies hun regierol op richting hun gebiedspartners (zoals gemeenten, andere overheden, TBO’s en wildopvangcentra) en spannen zich in om met deze gebiedspartners te komen tot passende oplossingen voor en afspraken over onder meer:
• afvoer (en doden) van Nijlganzen die bij wildopvangcentra zijn gebracht en waarvoor geen opvangmogelijkheid bestaat.
• het stellen van voorwaarden voor zorgvuldig bermbeheer, groenbeheer, grondverzet etc. bij opdrachten en aanbestedingen.
• de omgang met invasieve exoten in gemeentelijk groen, zoals geen aanplant van rimpelroos in de buurt van natuurgebieden, en bij het verstrekken van vergunningen voor het kappen van hemelboom door particulieren.
• (vooruitlopend op een mogelijk toekomstig verbod) Paulownia tomentosa en andere invasieve exoten die worden aangeplant voor doeleinden zoals biobased grondstoffen, eiwitproductie, voedselbossen etc.
Procesafspraken over signalering en vroege eliminatie Beter vastleggen van procesafspraken over signalering en vroege eliminatie (tussen provincies, BuRO en LVVN). LVVN draagt zorg dat waarnemingen van met name de invasieve exoten, waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt worden verzameld en beschikbaar zijn voor de provincies. Deze snelle signalering verloopt onder meer via Waarneming.nl en ook soortenorganisaties en TBO’s die melding doen bij provincies of NVWA. Het is aan provincies om alert te zijn op deze meldingen.
Bij vroege detectie van een artikel 17 soort van de Unielijst dient Nederland de Europese Commissie hierover in kennis te stellen. Dit gebeurt middels een melding in het Europees systeem NOTSYS door BuRO van de NVWA (artikel 16). De provincies informeren BuRO daarom over de meldingen die direct bij de provincies binnenkomen.
De provincies kunnen voor bepaalde (schuwe of mobiele) soorten meer inzet op detectie en opsporing en (landelijke) monitoring plegen in het kader van eliminatie en bestrijding. Dit met het oog op het lokaliseren, inzicht in de verspreiding van soorten en de effectiviteit van bestrijding. Deze extra inzet op detectie, opsporing en monitoring kan vorm krijgen door bijvoorbeeld het inrichten van meldpunten of extra tellingen te organiseren die in Waarneming.
nl kunnen worden verwerkt.
Provincies zijn zelf verantwoordelijk voor de effectmonitoring van bestrijding, in ieder geval van de maatregelen die door de provincies bekostigd zijn. Deze moeten de provincies ook voor de zes jaarlijkse rapportage aan Brussel in beeld brengen. Provincies willen voor effectmonitoring een uniform systeem ontwikkelen.
Financieel inzicht Financiële transparantie Inzicht over de uitgave van overheidsgelden is het uitgangspunt. De provincies leveren (op korte termijn) financieel inzicht aan LVVN over de totale provinciale inzet op invasieve exoten in 2024, teneinde beter zicht te krijgen op het aandeel dat provincies momenteel bijdragen aan de exotenaanpak. Een complete financiële rapportage over de provinciale uitgaven aan invasieve exoten in 2024 wordt uiterlijk in Q2 van 2026 verwacht. Dit vooruitlopend op de driejaarlijkse financiële rapportage.
En de provincies leveren financieel inzicht aan LVVN (achteraf) over de besteding van de extra middelen (totaal circa 7,3 miljoen euro voor 2025 en 2026) aan de landelijk afspraken die in bijlagen 6 en 7 staan vermeld in vetgedrukte tekst.
95 | Landelijk aanvalsplan invasieve exoten

Bijlage 10 Verantwoording van het doorlopen proces
Voor de beschrijving van alle hoofdstukken van het aanvalsplan is gebruik gemaakt en aangesloten bij de bevindingen uit:
• Contouren van een landelijk aanvalsplan invasieve exoten
• Kamerbrief met reactie op evaluatie Exotenverordening en IPBES-rapport invasieve exoten
• Provinciaal ambitiedocument invasieve uitheemse soorten d.d. 21 augustus 2024
• Vijf stakeholderbijeenkomsten over de thema's zoetwatersoorten, gebiedsgerichte aanpak, overlast gevende soorten, marien en dieren.
• Factsheets van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten van de Unielijst (Unielijst invasieve exoten | Invasieve exoten | NVWA)
• Masterplan uitroeiing en beheersing Unielijstsoorten d.d. 4 oktober 2017
Het proces om te komen tot dit landelijk aanvalsplan invasieve exoten bestond uit de volgende doorlopen stappen:

  1. LVVN heeft in het eerste kwartaal van 2024 een plan van aanpak opgesteld. Een begeleidingsgroep is gevormd met vertegenwoordiging vanuit provincies, waterschappen, BuRO/NVWA en Rijkswaterstaat.
  2. In 2024 heeft LVVN vijf themabijeenkomsten georganiseerd met andere overheden en stakeholders.
    De thema’s waren zoetwatersoorten, gebiedsgerichte aanpak, overlastgevende soorten, marien en dieren.
  3. LVVN heeft in het kader van het National Biodiversity Strategy and Action Plan (NBSAP) een stakeholderbijeenkomst georganiseerd voor target 6 ‘invasieve exoten’. De deelnemers (NGO’s, belangenorganisaties, bedrijfsleven) hebben in dit kader een ‘maatschappelijke paragraaf’ opgesteld die hun visie en inzet op target 6 bevat.
  4. Provincies hebben een provinciaal ambitiedocument invasieve uitheemse soorten opgesteld en in december 2024 aan LVVN aangeboden.
  5. Contouren van een landelijk aanvalsplan invasieve exoten zijn in december 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd.
  6. Technische Briefing over de Contouren van een landelijk aanvalsplan invasieve exoten op 9 april 2025 voor de Vaste Kamercommissie voor LVVN.
  7. Voorjaarsbesluitvorming over financiering van het aanvalsplan.
  8. Afstemming en onderhandeling over de landelijke afspraken bij het provinciaal ambitiedocument invasieve uitheemse soorten tussen LVVN en provincies en waterschappen. Besluitvorming door de provincies in de AAC LG en de BAC LG.
  9. Schriftelijke consultatie van (onderdelen van) het landelijk aanvalsplan met andere departementen en andere overheden.
  10. Interdepartementale besluitvorming over het landelijk aanvalsplan via de Commissie Fysieke Leefomgeving en de Raad voor de Fysieke Leefomgeving.