BRON:
De Levende Natuur / Maart 2026 / Tekst: Aglaia Bouma, Jan Wieringa, Wouter van Steenis
De Aziatische hoornaar: fabels en feiten
De naam Aziatische hoornaar schept onduidelijkheid, want in Europa komen meerdere Aziatische hoornaarsoorten voor. In Nederland is er maar één die zich hier heeft gevestigd: Vespa velutina, de geelpoothoornaar. Om verwarring te voorkomen, noemen we de hoofdrolspeler van dit artikel daarom bij deze naam. Sommige media schilderen geelpoothoornaars af als agressieve reuzenwespen. Wat klopt daarvan? Ze zijn groter dan onze inheemse “limonadewespen” (Duitse en gewone wesp), maar met zo’n 20 millimeter juist wat kleiner dan de eveneens inheemse Europese hoornaars (zie kader ‘Herkenning van de geelpoothoornaar’). Zo reusachtig zijn ze dus niet. Soms wordt een bericht vergezeld van een foto van een Aziatische reuzenhoornaar. Die soort is inderdaad een reus van 45 millimeter maar komt in Nederland niet voor. Er zijn wel andere hoornaarsoorten uit Azië waarvan sommige hun intrede hebben gedaan in Zuid-Europa maar die zijn minder groot.
Agressief dan? Wespen, dus ook geelpoothoornaars, steken niet zomaar. Pas als de kolonie of zijzelf worden bedreigd, zullen ze hun angel gebruiken. Dat maakt deze dieren niet agressief, maar defensief. Bij het steken komt een alarmferomoon vrij waardoor zussen (alleen de vrouwtjes hebben een angel en steken) worden opgeroepen te komen helpen, een algemeen voorkomend fenomeen bij sociale vliesvleugeligen (Hymenoptera), waaronder de honingbij, de Saksische wesp en de Europese hoornaar (Archer & Penney, 2012).
Agressiever dan andere wespen is deze soort niet. De locatie van de secundaire nesten (zie kader Biologie van de geelpoothoornaar), doorgaans hoog in een boom, maakt dat geelpoothoornaars niet snel het idee zullen hebben dat iemand te dicht bij hun nest komt, tenzij er een hoogwerker aan te pas komt. Bij lagere nesten, of primaire nesten aan gebouwen, in hagen of vogelnestkastjes, is er een grotere kans op contact tussen mens en wesp. Het verdient dan ook aanbeveling goed te kijken voordat schuurtjes worden geopend of heggen worden gesnoeid. Dat is niet nieuw. Er kunnen evengoed nesten van vogels, de Europese hoornaar of de middelste wesp zitten.
Herkenning van de geelpoothoornaar
De geelpoothoornaar is een plooivleugelwesp van circa 20 millimeter. Koninginnen zijn amper groter dan werksters. Geelpoothoornaars zijn iets kleiner dan werksters van de Europese hoornaar en daarmee een slag groter dan werksters van gewone en Duitse wespen. Geelpoothoornaars zijn donkerder gekleurd dan andere sociale plooivleugelwespen. Ze hebben veel zwart, wat oranjegeel op het achterlijf, een oranjegele kop en opvallend gele voeten.
Het is een feit dat er meer geelpoothoornaars in Nederland zijn dan ooit, maar het aantal problematische wespensteken stijgt niet – voor zover dit wordt bijgehouden. Navraag bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het Universitair Medisch Centrum Utrecht resulteerde in een grafiek die geen significante trend opleverde in hoornaarsteken.
Probleem bij deze cijfers is dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen de twee hoornaarsoorten. Een toename van hoornaarsteken kan ook komen doordat de Europese hoornaar de laatste decennia steeds algemener is geworden in Nederland. In Frankrijk worden steken van bijen en andere wespen iets beter bijgehouden. Al vroeg constateren Haro et al. (2010) dat steken door vliesvleugeligen niet waren toegenomen in de gebieden waar de geelpoothoornaar verscheen. Anses (2025) toonde verder aan dat er tussen 2014 en 2023 geen trend zichtbaar is in het aantal steken van Hymenoptera. In 20-30 % van de gevallen betrof het een steek van een hoornaar, met een uitschieter van 38 % in 2023. Van de tot op soort gedetermineerde gevallen was 26-33 % de geelpoothoornaar en dat percentage bleef over de jaren gelijk. De geelpoothoornaar is minder agressief dan sommige berichten ons willen doen geloven en verschilt niet van inheemse wespen

1 Een werkster geelpoothoornaar. (Foto: Pieter van Breugel).

2 Jaarlijkse aantallen bij het NVIC gemelde Hymenoptera-steken. Bron: Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), Universitair Medisch Centrum Utrecht.

3 Jaarlijkse verdeling vergiftigingen door Hymenoptera per categorie in Frankrijk. Bron: Anses (2025)

4 Jaarlijkse verdeling vergiftigingen door geelpoothoornaar, Europese hoornaar en onbekende hoornaar in Frankrijk. Bron: Anses (2025)
Biologie van de geelpoothoornaar
In het voorjaar, vanaf zo’n 10°C, komt een koningin tevoorschijn als ze tijdens de winter niet ten prooi is gevallen aan roofdieren, schimmels of andere gevaren. Zij gaat op zoek naar bloedende bomen of nectar om energie op te doen (Monceau et al., 2012; Bunker, 2019). Vervolgens moet ze een geschikte, beschutte plek vinden om haar nest te starten, zoals in een vogelhuisje of een verlaten konijnenhol, onder een afdak of in een heg. Daar bouwt ze van houtvezels vermengd met water een embryonest, dat eruitziet als een halve bal met een opening aan de onderkant. Later wordt die bal wat vollediger.
In de bal bouwt de koningin een aantal zeshoekige cellen, waarin ze een ei legt. Vanaf het moment dat de eieren uitkomen moet ze haar energie verdelen tussen doorbouwen en voedsel verzamelen voor haar larven. Dat voedsel bestaat vooral uit insecten. In deze periode loopt ze het risico dat haar nestje overgenomen wordt door concurrerende koninginnen, of ten prooi valt aan een roofdier. Als het embryonest het haalt en, in mei, de eerste larven zijn verpopt tot volwassen werksters, nemen de werksters het jagen op insecten over. Bijna alle werksters foerageren binnen 700 meter van het nest (Budge et al., 2017). De koningin helpt nog maximaal drie weken met de jacht en blijft daarna in het nest om eieren te leggen. Dat nest wordt door de werksters in hoog tempo uitgebouwd tot een zogeten primair nest, waaromheen zich een beschermend omhulsel bevindt met een opening aan de onderkant. Tegen juli wordt de initiele locatie voor ongeveer 70 % van de nesten te krap of onveilig. Dan wordt een secundair nest gebouwd (Rome en al., 2015). Doorgaans komt dat hoog in een boom. De kolonie verhuist er geleidelijk naartoe, waarna het nest wordt uitgebouwd tot een flinke bal met een doorsnede tot 95 centimeter (Zeegers & Buesink, 2024). De invliegopening van dit secundaire nest zit aan de zijkant. Aan het eind van het seizoen worden mannen geproduceerd en de koninginnen van volgend jaar. Dit kunnen er per nest enkele tientallen tot honderden zijn. De koninginnen zullen met meerdere mannen, bij voorkeur uit andere nesten, paren en het zaad opslaan. Mannen en verse koninginnen vliegen vanaf half september, met een piek tussen half oktober en de eerste helft van november (Villemant et al., 2011; Zeegers & Buesink, 2024). Intussen sterft het nest langzaam af. Mannen, werksters en de oorspronkelijke koningin gaan dood, overgebleven larven en poppen worden door koolmezen en andere vogels opgegeten.
De nieuwe koninginnen zoeken, individueel of in kleine groepjes, een beschut plekje achter schors, in houtstapels of onder stenen. Daar gaan zij in winterrust. Van alle nieuwe koninginnen sterft 90 tot 99,9 % voordat een succesvol nest is gebouwd (Rome et al., 2015).

5 Koningin geelpoothoornaar bouwt embryonest, de eerste eieren zijn al gelegd. De foto is genomen vanaf de onderzijde van het nest. (Foto: Pieter van Breugel)

6 Koolmezen eten de overgebleven inhoud van een secundair nest van de geelpoothoornaar. (Foto: A. van Dijk)
Giftiger?
We horen ook vaak dat de geelpoothoornaar gevaarlijker is omdat ze giftiger zou zijn. Het gif bevat een groot aantal peptides, die vrij goed onderzocht zijn omdat ze onder andere krachtige antibacteriële en ontstekingsremmende werking vertonen, en bloedstollingen en tumoren afremmen (Meng Y-C et al., 2021; Luo et al., 2022). De toxines kunnen heftige reacties veroorzaken, want ze werken in op bloed, zenuwen, spieren, nieren, vaten en lever. Maar dit geldt net zo voor het gif van de Europese hoornaar, de Franse veldwesp, limonadewespen en de honingbij. Het aantal steken waaraan een volwassene of een kind kan overlijden is gelijk bij de twee nu in Nederland aanwezige hoornaars; de Europese hoornaar en geelpoothoornaar.
Het is wel mogelijk dat de eerste steek van een geelpoothoornaar al een allergische reactie opwekt die tot een anafylactische shock kan leiden. Dit gebeurt als mensen overgevoelig geworden zijn door eerdere steken van limonadewespen of honingbijen (Blank et al., 2010). Zonder in herhaling te willen vallen: ook op het gif van een Europese hoornaar kan een allergische reactie optreden na sensibilisering door limonadewespen. Het goede nieuws is dat er al een prima behandeling bestaat omdat de allergenen in het gif van beide hoornaars overeenkomen met de allergenen in dat van limonadewespen (Vidal, 2022). De meerderheid van de patiënten reageert niet meer op het gif van beide soorten hoornaars na desensibilisatietherapie met gif van limonadewespen.
De laatste fabel is de bewering dat geelpoothoornaars gif in ogen spuiten als ze hun nest verdedigen. Het klopt dat deze soort, net zoals onder andere de Duitse wesp en de Europese hoornaar, een vloeistof kan spuiten die irritatie wekt in de ogen als de kolonie moet worden verdedigd (pers. comm. S. Fleurke, 2025). Mogelijk zit daar een beetje gif in, maar de gifblaas van deze hoornaar bevat te weinig vloeistof om meerdere druppels naar een belager te spuiten. Waar de vloeistof precies uit bestaat, is nog onduidelijk. Mogelijk bevat het ook feromonen waarmee de aanvaller gemarkeerd wordt, maar hier is nog geen onderzoek naar gedaan. Elke wespensoort kan een risico betekenen als het nest bedreigd wordt. De geelpoothoornaar is daarin niet anders.
Een gevaar voor de biodiversiteit
Het aantal nesten in Nederland stijgt nog steeds in rap tempo waardoor in totaal meer prooien worden gevangen. Een succesvolle kolonie in Frankrijk brengt jaarlijks gemiddeld 11 kilo insecten en ander vlees (van bijvoorbeeld kadavers, vis- of slachtafval) naar het nest (Rome et al., 2021). We hebben het hier over een opportunistische jager die pakt waarvan er een overvloed is. Met name vlees- en strontvliegen, limonadewespen 7 en honingbijen dienen als voedsel voor de larven (Pedersen et al., 2025). Dit zijn insecten die in enorme aantallen voorkomen, wat de druk op ecosystemen verwaarloosbaar maakt. Alleen in natuurgebieden, waar het aandeel zeldzame soorten groter is ten opzichte van cultuurvolgers, zou er een negatieve invloed kunnen zijn op de biodiversiteit. Dit is tot nog toe echter niet aangetoond. Doordat geelpoothoornaars ook andere predatoren zoals limonadewespen vangen, eten die weer mínder andere insecten. Het is ook nog niet onderzocht wat het netto resultaat van deze tegengestelde effecten is. Een deel van de prooidieren speelt een rol als bestuiver, wat zou kunnen inhouden dat het wegvangen ervan negatieve gevolgen heeft voor de bestuiving van gewassen. Zweefvliegen en wilde bijen worden door de geelpoothoornaar echter relatief weinig gevangen. Hommels vangen lukt deze wesp erg slecht (O’Shea-Wheller et al., 2023) en het merendeel van de andere wilde bijensoorten is juist klein en daarmee weinig interessant als eiwitbron. Bovendien vliegen de meeste wilde bijen vroeg in het seizoen, wanneer hoornaars nog niet in groten getale aanwezig zijn. Geelpoothoornaars vangen wel massaal honingbijen weg. Onderzoek wijst echter uit dat juist die soort een gevaar oplevert voor de biodiversiteit, en dan met name voor andere bestuivers, door een te hoge concurrentiekracht (Spek, 2012; Pasquali et al., 2025).
Wel is aangetoond dat het gedrag van bestuivende insecten verandert bij bloeiende planten waar een geelpoothoornaar jaagt, waardoor laatbloeiende soorten zoals klimop minder goed bestoven worden. (Rojas-Nossa & Calviño-Cancela, 2020; Rojas-Nossa et al., 2023). Dit geldt echter ongetwijfeld ook als op die locatie een Europese hoornaar op jacht is. Verwacht kan worden dat de Europese hoornaar het meest te lijden heeft onder de aanwezigheid van de geelpoot, omdat beide soorten een gelijkaardige fenologie en prooikeuze hebben. De geelpoothoornaar heeft wel een grotere voorkeur voor honingbijen, al jaagt ook de Europese hoornaar er graag op. Beide soorten hoornaars kunnen echter naast elkaar bestaan (Carisio et al., 2022). Blijkbaar is nestgelegenheid een beperkende factor en juist daar is geen sprake van concurrentie, omdat de Europese hoornaar nesten bouwt in holtes en de geelpoothoornaar in de open lucht. Ook andere sociale wespen – die bovendien nog prooi zijn ook – lijken geen nadelige gevolgen te ondervinden van concurrentie. Na verloop van tijd zal er een nieuw evenwicht ontstaan. Parasitoïden en parasieten als inheemse sluipwespen en -vliegen, aaltjes, schimmels, mijten en virussen zijn inmiddels gevonden in de nesten (Turchi & Dérijard, 2018). Ook predatoren kunnen de soort opnemen in hun menu. In Spanje zijn geelpoothoornaars al het op één na favoriete maaltje van de wespendief (Macià et al., 2019, Martín-Ávila et al., 2024, Martín-Ávila et al., 2025).

7 Niet te verwarren met de geelpoothoornaar: de gewone wesp, een van de limonadewespen. (Foto: Frits Bink/Saxifraga)

8 Niet te verwarren met de geelpoothoornaar: de Europese hoornaar. (Foto: Tom Heijnen/Saxifraga)
Economische schade
Directe schade aan fruit door vraat is niet gemeld, behalve van druiventelers in zuidelijker landen. Geelpoothoornaars zullen, net als andere wespen, vooral valfruit eten aan het eind van het seizoen. Indirecte schade doordat ze jagen op bestuivers is te verwaarlozen: die bestuivers doen hun werk in het voorjaar, wanneer de geelpoothoornaar in zeer beperkte aantallen aanwezig is. Aan bestuivers met meerdere generaties per jaar – dus ook een herfstgeneratie – kunnen ze wel schade toebrengen. Sinds het verschijnen van de geelpoothoornaar is er voor zover wij weten geen onderzoek gedaan naar extra afname van zweefvliegen en wilde bijen.
Honingbijen
De geelpoothoornaar brengt wel schade toe aan honingbijen. Zij vangt graag honingbijen voor bijenkasten, wat leidt tot uitdunning van het volk en foerageerverlamming – ze durven de kast niet meer uit – waardoor volkeren verder verzwakken (Bunker, 2019). Aziatische honingbijen kunnen een hoornaar gezamenlijk doden door haar te omringen tot een bal waarbinnen ze gestoken wordt en de temperatuur zodanig hoog wordt dat de hoornaar sterft. Deze tactiek is in Nederland nog niet waargenomen. Zolang honingbijen zich maar mondjesmaat verdedigen, is het begrijpelijk dat imkers hun bijen willen beschermen tegen de geelpoothoornaar.
In Frankrijk is een studie gedaan naar de schade (Requier et al., 2023). Uitgaande van gemodelleerde dichtheden aan geelpoothoornaarnesten en honingbijenkasten komen de auteurs tot een verlies van 3-30 % van de bijenvolken per jaar en tot een jaarlijkse schade in Frankrijk van drie miljoen tot dertig miljoen euro. Vertaald naar Nederland (met 90.000 bijenvolken (Tom & Valkenburg, 2022) in plaats van 1 miljoen) is dat 270.000 – 2,7 miljoen euro. Hierbij sterft in de hoge variant jaarlijks 30 % van de bijenvolken; hoog maar niet heel veel hoger dan de totale wintersterfte van 10-30 %, die gelijk is in gebieden waar de geelpoothoornaar al langere tijd is gevestigd tegenover gebieden waar de soort nog nauwelijks zit (Compendium voor de Leefomgeving, 2025; NBV, 2025).
Het is aan de politiek of bescherming van gehouden honingbijen een taak is van de imkers of een taak van de overheid. Daarvoor is het wel gewenst dat de daadwerkelijke economische schade wordt berekend. En dat kan alleen op basis van het Franse onderzoek want Nederlandse getallen ontbreken. Omdat de geelpoothoornaar in Nederland aan de grens van haar areaal zit, lijkt het ons realistisch om aan te nemen dat de kosten in Nederland niet hoger zullen zijn dan twee keer de ondergrens van de Franse bandbreedte. Dan kom je uit op een verlies van 6 % van de honingbijenvolken per jaar, hetgeen neerkomt op een totale schade van een half miljoen euro. De daadwerkelijke schade van de geelpoothoornaar voor de honingbijen is vermoedelijk niet te onderscheiden van de veel grotere schade door landbouwgif, ongunstige weersomstandigheden, besmetting met varroamijt of een gebrek aan bloemen.
Hoe de geelpoothoornaar in Europa belandde
Oorspronkelijk komt de geelpoothoornaar voor van Afghanistan tot Oost-China en Indonesië. Waarschijnlijk is een (paar) jaar voor 2004 een, door meerdere mannen bevruchte koningin uit oostelijk China geïntroduceerd in Zuidwest-Frankrijk (Arca et al., 2015). De eerste drie nesten zijn in 2004 gezien bij een bonsaikweker die Chinees aardewerk importeerde. De bonsaikweker herkende de geelpoothoornaar van een reis naar Azië, maar sloeg nog geen alarm – hij schoot de nesten kapot met een geweer. Andere nesten kunnen in die tijd onopgemerkt zijn gebleven. De eerste door entomologen opgemerkte nesten dateren van 2005 (Haxaire et al., 2006; Villemant et al., 2006). Op grond van de verspreiding in 2006 over een gebied van 150 bij 300 km stellen Villemant et al. (2006) dat bestrijden zinloos is geworden. Volgens Rortais et al. (2010) was het verspreidingsgebied in 2006 zelfs al 450 bij 700 km, 120.000 km2, drie keer Nederland.
Sinds 2006 heeft de soort zich verder over Europa verspreid. In 2010 werd de soort aangetroffen in Spanje, waarna andere landen in rap tempo volgden: Portugal en België (2011), Italië (2012), Duitsland (2014) en Engeland (2016) (Federazione Apicoltori Italiani, 2013; Budge et al., 2017). In 2017 was de eerste Nederlandse waarneming een feit (Smit et al., 2017). Inmiddels zijn er meldingen uit alle Nederlandse provincies, al lijkt deze wesp ten noorden van de lijn Alkmaar-Zwolle-Enschede in 2025 vooralsnog minder talrijk. Nederland zelf is, volgens Hassall et al. (2023), geheel geschikt leefgebied. Mogelijk komt zij in noordelijk Nederland, het enige gebied waar ze nog volledig bestreden wordt (Ministerie van LVVN, 2025), aan de grens van haar mogelijkheden (Villemant et al., 2011).
Vanaf het begin zijn nesten bestreden om de verspreiding van deze exotische hoornaar tot staan te brengen. Villemant et al. (2006) beschrijven hoe het weghalen van nesten in 2005 geen zichtbaar effect had gesorteerd. Monceau et al. (2012) concluderen dat ook het wegvangen van koninginnen in het voorjaar geen noemenswaardig effect heeft op de wespenpopulatie. De uitbreiding van de geelpoothoornaar over Europa gaat nog steeds door. Hoe groot de populatiedichtheid in Nederland gaat worden is moeilijk te zeggen; een scala aan factoren bepaalt het uiteindelijke nieuwe evenwicht.
Wanneer en hoe toch bestrijden?
Inmiddels is wel duidelijk dat het bestrijden van secundaire nesten ineffectief en duur is. Dat is dus alleen raadzaam op gevaarlijke plekken, bijvoorbeeld in een boom naast een school, of als een nest ongebruikelijk laag hangt op een drukbezochte locatie. Volgens de Nederlandse wetgeving mogen giftige poeders waarin de stoffen permethrin, tetramethrin of deltamethrin verwerkt zijn uitsluitend worden gebruikt in gebouwen en mits die zich niet op of naast aquatische milieus bevinden. Voor vrijhangende nesten mogen al deze middelen dus niet ingezet worden. In de buitenruimte wordt regelmatig gebruikgemaakt van diatomeeënaarde – een sediment dat bestaat uit de skeletjes van kiezelwieren (Romei & Schilman, 2024) maar dat is eveneens verboden omdat dit materiaal het uitwendige skelet van alle geleedpotigen oplost en daarmee ook schade kan toebrengen aan andere dieren wanneer het vervliegt. De inzet van niet-selectieve schimmels en aaltjes is ongewenst. Ook deze middelen kunnen zich verspreiden en andere insecten doden.
Een instrument dat niet erger is dan de kwaal is een stofzuiger. ‘s Avonds kunnen de werksters weggezogen worden en in een vriezer gedood. Dit werkt ook heel goed bij primaire nesten. Om de druk van geelpoothoornaars te verlagen, wordt ook gebruikgemaakt van voorjaarsvallen, die momenteel worden onderzocht op effectiviteit en selectiviteit. Eens te meer heeft de geelpoothoornaar aangetoond dat moet worden voorkomen dat invasieve exoten Europa binnenkomen en dat ze, als dat toch gebeurt, onmiddellijk en radicaal bestreden moeten worden. Daarna is het dweilen met de kraan open. Ook het Ministerie van LVVN (2025) zet nu in op dit beleid.
Toekomstperspectief
We zullen moeten leren accepteren dat de geelpoothoornaar onderdeel wordt van ons ecosysteem. Voor de biodiversiteit, volksgezondheid of economie zijn de effecten verwaarloosbaar. Deze soort is hooguit een probleem voor imkers die voor een nieuwe uitdaging staan. Zij zullen moeten zoeken naar manieren om hun honingbijen te beschermen. Alle typen (voorjaars) vallen en andere beschermconstructies en -maatregelen moeten worden onderzocht op selectiviteit en effectiviteit.