Spring naar inhoud

Nijlgans

Dierenambulances, wildopvangcentra en gespecialiseerde opvangorganisaties lopen vast door de regels rond invasieve exoten. Daardoor ontstaan onwerkbare situaties. Stichting DierenLot roept de Tweede Kamer op om het Aanvalsplan Invasieve Exoten zo aan te passen dat dierenhulpverlening uitvoerbaar blijft en dierenwelzijn niet in de knel komt. Dierenhulpverleners krijgen steeds vaker invasieve exoten binnen, maar stuiten op twee harde problemen: geen structurele financiering en regels die dierwaardige opvang of terugplaatsing belemmeren. Dat leidt tot druk op opvangcapaciteit, morele dilemma’s en het risico dat vrijwilligers afhaken.

Jaarlijks komen circa 1.300 nijlganzen via burgers bij opvangcentra terecht. Een deel herstelt volledig, maar terugplaatsen is verboden. Levenslange opvang is meestal niet haalbaar door gebrek aan ruimte en middelen. Tegelijk weigeren dierenartsen geregeld om gezonde dieren te euthanaseren. Hierdoor belanden dierenhulpverleners in een situatie zonder werkbare, dierwaardige oplossing. DierenLot vraagt de Kamer om een gedoog- of maatwerkconstructie mogelijk te maken, zodat herstelde nijlganzen onder strikte voorwaarden kunnen worden teruggezet. Dat voorkomt onnodige euthanasie en ontlast opvangcentra.

De Nijlgans is, samen met de Grote Canadese Gans en de Halsbandparkiet, de meest succesvolle vogelexoot van Nederland. De soort heeft zich over heel Nederland verspreid en vanuit Nederland over omliggende landen. In 2018-2020 broedden er naar schatting 7.700-13.000 paar Nijlganzen in Nederland. Het huidige aantal zal iets lager liggen; we zien in de broedvogelmonitoring recent namelijk lagere aantalsindices, na een maximum in 2015-2020. Buiten broedtijd kunnen tot meer dan 50.000 Nijlganzen in Nederland verblijven. De soort komt verspreid over het land voor. Een deel van de Nijlganzen groepeert zich in waterrijke gebieden, vooral in het westen van het land en langs de rivieren. Daar kunnen ze zich in groepen van honderden vogels ophouden. 

Daarnaast zien we ook vogels die als paartje bij elkaar blijven in de poldergebieden of stadsparken. De aantalsontwikkeling van deze pleisteraars is statistisch weliswaar stabiel over de laatste twaalf jaar, maar de gemiddelde aantallen liggen de laatste jaren nog altijd op een aantalsmaximum. Jonge Nijlganzen kunnen binnen enkele maanden na het ringen al afstanden tot meer dan 200 kilometer afleggen. Ook een deel van de volwassen Nijlganzen zwerft in het najaar uit tot op grote afstand van hun territorium.

De meeste Nijlganzen ruien hun vliegveren in de maanden juli en augustus. Dan kunnen ze circa drie weken niet vliegen. De rui verloopt niet zo synchroon als bij de andere ganzen. De Nijlganzen die succesvol jongen grootbrengen, ruien hun vliegveren meestal in hun territorium. De man meestal iets eerder dan de vrouw. De ruigroepen bestaan grotendeels uit subadulte vogels en vogels met een mislukt broedsel.