Spring naar inhoud

Organisatie wil opvang, educatie en onderzoek samenbrengen in nieuw centrum voor schildpadden, wasberen en andere invasieve soorten

Faunawatch vangt al meerdere jaren schildpadden op, voornamelijk invasieve lettersierschildpadden. Deze dieren worden vaak in de natuur gedumpt en vormen, net als andere invasieve diersoorten, een toenemend probleem voor de inheemse flora en fauna in Nederland.

Naast schildpadden gaat het onder meer om wasberen, nutria’s en Amerikaanse rivierkreeften. Invasieve diersoorten kunnen grote schade aanrichten aan ecosystemen, maar vragen tegelijkertijd om een diervriendelijke en verantwoorde aanpak. Vanuit die overtuiging wil Faunawatch een kenniscentrum voor invasieve diersoorten oprichten, gecombineerd met een gespecialiseerde opvang.

“Invasieve diersoorten kunnen niet teruggedrongen worden met enkel afschot,” zegt Dr. Tim Huijsmans, dierenarts en voorzitter van Stichting Faunawatch. “Door de snelle voortplanting en het grote aanpassingsvermogen van soorten zoals de wasbeer, kunnen ze een afname van de populatie snel compenseren. Met dit kenniscentrum willen we laten zien dat natuurbescherming en dierenwelzijn hand in hand kunnen gaan, door te investeren in kennis, onderzoek en verantwoorde opvang.”

In het beoogde kenniscentrum krijgen burgers de mogelijkheid om meer te leren over invasieve diersoorten, hun impact op biodiversiteit en de maatschappelijke uitdagingen die zij met zich meebrengen. Daarnaast biedt het centrum ruimte voor onderzoek naar alternatieve en diervriendelijke methoden om invasieve diersoorten te beheren.

Volgens Gaston Huijsmans, hoofdverzorger van Stichting Faunawatch, is educatie een essentieel onderdeel van de plannen. “In de opvang zien we dagelijks de gevolgen van dumping en een gebrek aan kennis van dieren, zoals schildpadden. Het kenniscentrum biedt de kans om die verhalen te delen en bewustwording te creëren bij het publiek.”

Om deze plannen te realiseren is Faunawatch momenteel bezig met het aanvragen van de benodigde vergunningen. Het vinden van een geschikte locatie is nog een grote uitdaging. Tevens zijn nog financiële middelen nodig om de plannen te kunnen financieren. De organisatie hoopt in 2026 grote stappen te kunnen zetten in de realisatie van het kenniscentrum, waarmee opvang, educatie en onderzoek verder kunnen worden uitgebreid.

Ter ondersteuning van dit initiatief roept Faunawatch het publiek op om bij te dragen via een donatie.

Meer informatie: https://www.faunawatch.org/visie-kenniscentrum-en-opvang-voor-invasieve-dieren

Met vriendelijke groet, Dr. Tim Huijsmans   Voorzitter en dierenarts Faunawatch   timhuijsmans@faunawatch.org | faunawatch.org signature_1377161134Afbeelding

Een nieuwe studie laat zien dat meervallen bij het stuw- en sluizencomplex Lith tijdens de onderzoeksperiode vooral uitheemse rivierkreeften en Ponto-Kaspische grondels aten, terwijl trekvissen nauwelijks in het dieet voorkwamen. Ook blijkt dat meervallen slechts beperkte tijd bij het complex aanwezig waren en dat hun gedrag sterk samenhing met watertemperatuur en stuwbeheer.

Tussen oktober 2023 en augustus 2025 zijn 152 meervallen gevangen, waarvan het grootste deel kleiner was dan 80 centimeter. Door meervallen te merken en later opnieuw terug te vangen, konden de onderzoekers een inschatting maken van de populatiegrootte. Daaruit blijkt dat er in het studiegebied enkele honderden meervallen aanwezig zijn.

“We zien dat de meervalpopulatie bij Lith vooral uit kleinere vissen bestaat”, zegt ecoloog Jacco van Rijssel van Wageningen Marine Research. “Grote meervallen (groter dan 1,5 meter) zijn tijdens dit onderzoek weinig gevangen en ook niet vaak gesignaleerd met sonar. Dat betekent dat de potentiële predatiedruk op grotere trekvissen in deze periode beperkt was.”

Dieet: invasieve exoten dominant, trekvissen nauwelijks aangetroffen

Bij negentig meervallen werd onderzocht wat ze hadden gegeten. Bij 27 procent daarvan werd daadwerkelijk voedsel in de maag gevonden. Het dieet bestond overwegend uit uitheemse rivierkreeften en Ponto-Kaspische grondels. Meervallen bleken vaker te kiezen voor deze invasieve exoten, terwijl soorten zoals Chinese wolhandkrab veel minder in trek waren. Van de trekvissen werd slechts één aal van circa 35 centimeter in een maag aangetroffen.

Een aantal gevlekte Amerikaanse rivierkreeften uit de maaginhouden

Een aantal gevlekte Amerikaanse rivierkreeften uit de maaginhouden (Bron: Wageningen Marine Research)

“Dat sluit aan bij het beschikbare voedselaanbod rondom het complex”, zegt Jacco van Rijssel. “Tijdens het onderzoek kwamen maar weinig trekvissen voorbij, waaronder soorten die belangrijk zijn voor natuurbeleid. Daardoor hadden meervallen ook nauwelijks gelegenheid om daarop te jagen.”

Gedrag: meerval bleek weinig honkvast en volgde temperatuur en stuwbeheer

Van de dertig gezenderde meervallen leverden twintig dieren voldoende gegevens op voor analyse. Zeven van deze meervallen werden ook waargenomen in het benedenrivierengebied, tot 70 kilometer stroomafwaarts van Lith. Daarmee lieten zij zien dat deze soort minder honkvast is dan eerder werd aangenomen. De aanwezigheid van meerval bij het stuw- en sluizencomplex was het grootst in het voorjaar en de zomer en nam in de winter – wanneer veel dieren het gebied verlieten – sterk af. De watertemperatuur bleek daarbij de belangrijkste bepalende factor voor de aanwezigheid van meervallen bij het complex.

Benedenstrooms van het complex bleken sommige meervallen gevoelig te zijn voor het aan- en uitzetten van de waterkrachtcentrale. Tijdens deze schakelmomenten verplaatsten zij zich opvallend tussen de stuw en de waterkrachtcentrale. Zodra de centrale werd aangezet, weken deze dieren uit. Wanneer de centrale weer uit stond, keerden zij terug.

Meervallen zijn met reguliere vangmethoden moeilijk te onderzoeken. Voor dit onderzoek is daarom samengewerkt met beroeps- en sportvissers, en zijn er visvriendelijke technieken gebruikt om het dieet en gedrag van de dieren te bestuderen.

Kleine impact op trekvissen in deze periode – met belangrijke kanttekeningen

De impact van meerval op trekvissen was in deze studie beperkt. De onderzoekers benadrukken dat het lage aanbod aan trekvissen, het relatief kleine formaat van de meeste meervallen en het beperkte aantal waarnemingen van grote dieren betekenen dat predatie van trekvissen door grote meervallen niet kan worden uitgesloten. “Dit onderzoek geeft een beeld van het dieet en gedrag van meervallen bij één locatie”, zegt visecoloog Maximiliaan Claus van Waardenburg Ecology. “Omdat meervallen zich sterk aanpassen aan hun omgeving, kunnen de effecten elders of bij hogere aantallen trekvissen anders uitpakken.”

De onderzoekers wijzen erop dat meerval waarschijnlijk zal toenemen door warmere omstandigheden. Bij grotere aantallen meerval én trekvissen kan de kans op onderlinge interacties daardoor ook groeien, zoals in andere Europese wateren al is gezien.

Belangrijke kennisvragen over meerval blijven open

Het rapport identificeert meerdere open kennisvragen, waaronder:

  • meer inzicht in het gedrag en ruimtegebruik van meerval op de langere termijn;
  • beter inzicht in verspreiding en populatieontwikkeling in heel Nederland;
  • genetische herkomst van meervalpopulaties;
  • meer kennis over dieet en gedrag van grotere meervallen.

Over het onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Marine Research in samenwerking met Waardenburg Ecology en de Sportvisunie, in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Rijkswaterstaat.

  • Rapport: Gedrag en dieet van Europese meerval (Silurus glanis) rondom stuw- en sluiscomplex bij Lith in de Maas.

Tekst: Wageningen Marine Research