Spring naar inhoud

Dat er exotische rivierkreeften in Nederland voorkomen zal geen nieuws meer zijn. Bijna iedereen heeft er wel eens een over straat zien lopen. Dankzij het grootschalig wegvangen van uitheemse rivierkreeften worden er ook steeds meer kleurafwijkingen gemeld. Bepaalde kleurafwijkingen blijken veel vaker voor te komen dan andere. Hoe komt dat?

Steeds meer overheden, vissers en natuurbeschermers proberen de uitheemse rivierkreeften weg te vangen met meer of minder innovatieve vangtuigen zoals fuiken, korven, kistjes, goten, sleuven, tunnels en collectoren. Alleen al uit natuurgebied de Molenpolder bij Utrecht werden in 2022 ruim een half miljoen rivierkreeften aan de modder onttrokken. Afgezien van ‘nuttige informatie’ om nog meer kreeften te kunnen vangen – zoals kennis over de activiteit, groei en reproductie – heeft het werk ook inzicht gegeven in alle mogelijke verschijningsvormen en kleurvariëteiten die kreeften kunnen aannemen. De vraag die daarbij meestal gesteld wordt is: waarom is de kreeft blauw? En in mindere mate: waarom is de kreeft rood, wit, roze of oranje? Waarom deze kleuren? En waarom worden andere kleuren bijna nooit gemeld?

Kleur

De kleur van rivierkreeften en veel andere dieren wordt in belangrijke mate bepaald door pigmenten die carotenoïden worden genoemd. Het zijn lange koolstofketens die vooral blauw(groen) licht absorberen en dus vooral geel, rood tot oranje tinten reflecteren. Micro-organismen en planten, bijvoorbeeld wortel en tomaat, maken ze zelf. Dieren kunnen ze alleen via voedsel binnenkrijgen. Het bekendste voorbeeld hiervan is wellicht de flamingo die rozerood kleurt door een uit voedsel verkregen carotenoïde genaamd astaxanthine. Ook bij rivierkreeften speelt astaxanthine een belangrijke rol.

Het exoskelet

De buitenkant van een rivierkreeft wordt ‘exoskelet’ genoemd en is opgebouwd uit vier lagen:

  1. De epicuticula: een dunne, wasachtige beschermingslaag (tegen onder andere uitdroging).
  2. De exocuticula: een harde, verkalkte laag met chitinevezels voor de stevigheid.
  3. De endocuticula: een dikke, flexibele brug tussen de exocuticula en epidermis.
  4. De epidermis: levend weefsel waar chitine en eiwitten worden geproduceerd en daarmee feitelijk de opeenvolgende vervellingen.

Het rood reflecterende astaxanthine is in alle lagen van het exoskelet aanwezig, alleen in de drie buitenste lagen (de cuticula) is astaxanthine gebonden aan eiwitcomplexen. Deze combinatie reflecteert een heel andere kleur dan rood, te weten: blauw (met eiwitten in de cuticula), paars (idem) en geel (met een eiwit in de epicuticula). Alleen in de onderste laag (epidermis) bevindt zich astaxanthine dat nog niet aan eiwitten is gebonden en dus nog als rood is waar te nemen.

Stapeling van kleuren

De mengeling van geel, blauw, paars en rood in de opeenvolgende lagen van het exoskelet maakt dat rivierkreeften doorgaans kleuren aannemen die kinderen maken als ze te veel soorten verf door elkaar mengen: een vaag soort bruin. Dat is uiteraard de bedoeling in het licht van camouflage. Afhankelijk van de soort vindt er meer of minder expressie plaats van bepaalde kleuren, waardoor bijvoorbeeld de rode Amerikaanse rivierkreeft van nature al behoorlijk rood is. Wanneer er door omstandigheden iets mis gaat met de eiwitten in een of meerdere lagen van het exoskelet kunnen er afwijkende kleuren ontstaan. Bijvoorbeeld, een onfortuinlijke kreeft die in de koekenpan wordt gegooid. Door de hitte vallen alle eiwitten uit elkaar. Het vrije astaxanthine uit de epidermis blijft over en wordt aangevuld met astaxanthine uit gedesintegreerde eiwitten uit de overige lagen van het exoskelet. Resultaat: rood+rood+rood+rood=knalrood! Daar tegenover staat dat kreeften(resten) die, bijvoorbeeld door een reiger, op de kant worden achtergelaten na enige tijd vaak blauw verkleuren, doordat de buitenste lagen van het exoskelet – oftewel: de gele en rode tinten van respectievelijk de epicuticula en epidermis – als eerste worden aangetast.

Natuurlijke kleurafwijkingen

Natuurlijke kleurafwijkingen bij levende rivierkreeften kunnen zowel door voedsel(gebrek) ontstaan als door genetische factoren. Wanneer het voedsel weinig astaxanthine bevat, valt de rode kleur uit de epidermis weg en nemen blauwe tinten uit de cuticula de overhand. Eén mutatie kan ook genoeg zijn om overexpressie van ‘blauwe eiwitten’ in de cuticula te veroorzaken. Minder algemeen zijn mutaties waarbij de expressie van meerdere eiwitten wordt beïnvloed. Dan kunnen feitelijk alle andere kleuren in het spectrum van wit (algehele verstoring in de productie van carotenoïde bindende eiwitten veroorzaakt leucisme), oranje, roze, hyperrood tot paars ontstaan.

Frequentie

Kleine onregelmatigheden, zowel genetisch als in het voedsel, kunnen al leiden tot blauwe kreeften, wat vermoedelijk verklaart dat de meeste waarnemingen van kleurafwijkingen blauwe dieren betreffen. 
Een recente studie naar kleurafwijkingen vond dat ruim 70 procent van kleurafwijkingen onder rivierkreeften betrekking had op blauw. Ook in Nederland lijkt de blauwe vorm (plaatselijk?) het meest talrijk. Bij een inventarisatie van EIS Kenniscentrum Insecten in de Ankeveense plassen in 2024 was ongeveer 2 procent van de rode Amerikaanse rivierkreeften blauw gekleurd (4 van de 215 gevangen kreeften). Andere kleuren zijn nog maar een heel enkele keer gemeld.

Kleurvorm gezien?

Help mee met het in kaart brengen en begrijpen van de kleurvariatie van rivierkreeften in Nederland! Heb je een rivierkreeft gezien met of zonder afwijkende kleur? Plaats je foto op Waarneming.nl en vergeet niet om bij ‘Levensstadium’ voor ‘afwijkend’ te kiezen, zodat de foto’s makkelijk terug te vinden zijn.

Een nieuwe studie laat zien dat meervallen bij het stuw- en sluizencomplex Lith tijdens de onderzoeksperiode vooral uitheemse rivierkreeften en Ponto-Kaspische grondels aten, terwijl trekvissen nauwelijks in het dieet voorkwamen. Ook blijkt dat meervallen slechts beperkte tijd bij het complex aanwezig waren en dat hun gedrag sterk samenhing met watertemperatuur en stuwbeheer.

Tussen oktober 2023 en augustus 2025 zijn 152 meervallen gevangen, waarvan het grootste deel kleiner was dan 80 centimeter. Door meervallen te merken en later opnieuw terug te vangen, konden de onderzoekers een inschatting maken van de populatiegrootte. Daaruit blijkt dat er in het studiegebied enkele honderden meervallen aanwezig zijn.

“We zien dat de meervalpopulatie bij Lith vooral uit kleinere vissen bestaat”, zegt ecoloog Jacco van Rijssel van Wageningen Marine Research. “Grote meervallen (groter dan 1,5 meter) zijn tijdens dit onderzoek weinig gevangen en ook niet vaak gesignaleerd met sonar. Dat betekent dat de potentiële predatiedruk op grotere trekvissen in deze periode beperkt was.”

Dieet: invasieve exoten dominant, trekvissen nauwelijks aangetroffen

Bij negentig meervallen werd onderzocht wat ze hadden gegeten. Bij 27 procent daarvan werd daadwerkelijk voedsel in de maag gevonden. Het dieet bestond overwegend uit uitheemse rivierkreeften en Ponto-Kaspische grondels. Meervallen bleken vaker te kiezen voor deze invasieve exoten, terwijl soorten zoals Chinese wolhandkrab veel minder in trek waren. Van de trekvissen werd slechts één aal van circa 35 centimeter in een maag aangetroffen.

Een aantal gevlekte Amerikaanse rivierkreeften uit de maaginhouden

Een aantal gevlekte Amerikaanse rivierkreeften uit de maaginhouden (Bron: Wageningen Marine Research)

“Dat sluit aan bij het beschikbare voedselaanbod rondom het complex”, zegt Jacco van Rijssel. “Tijdens het onderzoek kwamen maar weinig trekvissen voorbij, waaronder soorten die belangrijk zijn voor natuurbeleid. Daardoor hadden meervallen ook nauwelijks gelegenheid om daarop te jagen.”

Gedrag: meerval bleek weinig honkvast en volgde temperatuur en stuwbeheer

Van de dertig gezenderde meervallen leverden twintig dieren voldoende gegevens op voor analyse. Zeven van deze meervallen werden ook waargenomen in het benedenrivierengebied, tot 70 kilometer stroomafwaarts van Lith. Daarmee lieten zij zien dat deze soort minder honkvast is dan eerder werd aangenomen. De aanwezigheid van meerval bij het stuw- en sluizencomplex was het grootst in het voorjaar en de zomer en nam in de winter – wanneer veel dieren het gebied verlieten – sterk af. De watertemperatuur bleek daarbij de belangrijkste bepalende factor voor de aanwezigheid van meervallen bij het complex.

Benedenstrooms van het complex bleken sommige meervallen gevoelig te zijn voor het aan- en uitzetten van de waterkrachtcentrale. Tijdens deze schakelmomenten verplaatsten zij zich opvallend tussen de stuw en de waterkrachtcentrale. Zodra de centrale werd aangezet, weken deze dieren uit. Wanneer de centrale weer uit stond, keerden zij terug.

Meervallen zijn met reguliere vangmethoden moeilijk te onderzoeken. Voor dit onderzoek is daarom samengewerkt met beroeps- en sportvissers, en zijn er visvriendelijke technieken gebruikt om het dieet en gedrag van de dieren te bestuderen.

Kleine impact op trekvissen in deze periode – met belangrijke kanttekeningen

De impact van meerval op trekvissen was in deze studie beperkt. De onderzoekers benadrukken dat het lage aanbod aan trekvissen, het relatief kleine formaat van de meeste meervallen en het beperkte aantal waarnemingen van grote dieren betekenen dat predatie van trekvissen door grote meervallen niet kan worden uitgesloten. “Dit onderzoek geeft een beeld van het dieet en gedrag van meervallen bij één locatie”, zegt visecoloog Maximiliaan Claus van Waardenburg Ecology. “Omdat meervallen zich sterk aanpassen aan hun omgeving, kunnen de effecten elders of bij hogere aantallen trekvissen anders uitpakken.”

De onderzoekers wijzen erop dat meerval waarschijnlijk zal toenemen door warmere omstandigheden. Bij grotere aantallen meerval én trekvissen kan de kans op onderlinge interacties daardoor ook groeien, zoals in andere Europese wateren al is gezien.

Belangrijke kennisvragen over meerval blijven open

Het rapport identificeert meerdere open kennisvragen, waaronder:

  • meer inzicht in het gedrag en ruimtegebruik van meerval op de langere termijn;
  • beter inzicht in verspreiding en populatieontwikkeling in heel Nederland;
  • genetische herkomst van meervalpopulaties;
  • meer kennis over dieet en gedrag van grotere meervallen.

Over het onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Marine Research in samenwerking met Waardenburg Ecology en de Sportvisunie, in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Rijkswaterstaat.

  • Rapport: Gedrag en dieet van Europese meerval (Silurus glanis) rondom stuw- en sluiscomplex bij Lith in de Maas.

Tekst: Wageningen Marine Research